Klassieke Nederlandstalige gedichten

TOEKOMST

Als die mij nogal lief zijn
- vrouw, bomen, vrienden - van mij heen zijn
wil ik een snaterende grijsaard worden,
wonend op het Maliebaan-station
en in de zon.
Gekleed in conducteurscostuum
van Engels laken
een goede indruk voor de spiegel maken,
en zachtjes krijsen op het zoveelste perron:
'honnepon,
honnepon ...'

Alain Teister (1932-1979)

EEN GRIMLACH

Eens, jongling, kende ik u: - en op uw wezen
Was toen uw minste vreugd, uw lichtste smart,
Al wat er heimlijk omging in uw hart,
Als in een opgeslagen boek te lezen.
Toen, waar er vreugde wedergalmde, klonk
Uw schaatren boven 't hoogst gejubel henen;
En, waar een droeve in stilte zat te weenen,
Vast dat ook daar uw oog van tranen blonk.

En nu, er moge u vreugd of smart omgeven,
't Zij licht of donker op uws harten grond,
Een fletsche grimlach plooit er steeds uw mond,
Een grimlach, die mij doet van ijzing beven.
Want eenmaal slechts zag ik een lach, gelijk
Aan dien ik sedert kort bij u aanschouwde;
Maar 't was de hand des doods, die dezen vouwde
Om de eeuwig-koude lippen van een lijk.

Een grijsaard was 't, die in den dood dus lachte:
Een, die uit ieder zoet de bitterheid
Gezogen had; die tot op de ijdelheid
In elke wijsheid zag, en 't al verachtte.
Hem was het lijden als zijn daaglijksch brood;
Maar dát zelfs trof hem niet meer: want sinds jaren
Was op zijn aanschijn lach nog traan te ontwaren;
Slechts loeg hij eens nog, - ijslijk in den dood!

En, jongling, als diens lach is de uwe!
- Rampen,
Ik weet het, treffen soms onmenschlijk-wreed;
Maar, wat een grijze in heel een leven leed,
Kon nog uw jeugdig harte niet doorkampen.
Of werd het met éen slag soms zó verdroogd?
Gij glimlacht weer?...
O! zij het u gegeven,
Dat gij nog eenmaal, jongling, in uw leven,
Al waren 't heete tranen storten moogt!

Jan van Beers (1821-1888)
uit: Jongelingsdromen (1853)

BEGINNEND PROFEET

Hij zei het is soms bijna niet meer uit te maken
of ik een priester pelgrim of een pelikaan ben
zo moeilijk kan ik kiezen
tussen krijsen prediken en kwaken

en er is nog geen klank ontbrand
of de lamme monden de lede ogen
de buitenmate
vervlakte en vervloekte vaten
vullen zich met de nagalm
de malende kaken van de massa
maken mijn vuur tot walm

maar zei hij ook het is wel zeker
dat ik geen andere woorden heb
dan voor de liefde en ach (met een glimlach)
de liefde
ik heb er geen woorden voor.

Ellen Warmond (1930)
uit: De huid als raakvlak (1964)

NIEUWBOUW

Steen en stoffigheid. Betonnen blokken
worden woning. Kooi verrijst op kooi.
In de volte waar wij zullen hokken
loert de leegte nu al op haar prooi.

Krantenschrijvers fronsen. De neurosen
druipen straks als vocht de muren af.
Kroon der schepping, wilt gij hier verpozen
Op uw speurtocht tussen wieg en graf?

Sociologen, kom maar wijsheid winnen.
Psychologen, tracht gerust te spieden.
Boor uw blik in wat reeds vaag zich toont!

Woon ik er, mij schiet het lied te binnen
dat de Heer zijn zegen wil gebieden
in beton zelfs, zo er liefde woont.

A. Marja (1917-1964)
uit: Van de wieg tot het graf (1963)

HOOGSTE LIEFDE

Heet mij niet vals en trouweloos
Wanneer mijn arm, verdolend hart,
Van zorgen moe en blind van smart,
Een waanbeeld voor uw waarheid koos.

Ik heb u lief, nu en altoos,
En of mijn droef en moede hart
Bij andren rust of eenzaam mart
Om u: gij zijt mijn liefde, altoos.

En zagen vrouwen, wreed of teer,
De dwaze doler menig keer
In wilde aanbidding voor hen knielen;

Schoon Lief, hoe 'k hen heb liefgehad,
Het was ùw glans die ik aanbad
In aller schone vrouwen zielen.

Nico van Suchtelen (1878-1949)
uit: Liefde's dool (1913)

HET WOORD

Wandelend door een boomgaarden wereld
vroeg ik een vogel een vederen woord
een zingend woord een zonlicht woord
smeekte ik een vogel een woord mij ten dienste
een vliegwoord een vangbal een boemerang

Maar toen ik droomde dat mijn wens zich vervulde
verschool ik mij om het te breken
om te zien wat er in zou zijn:
een nest jonge vogels
of schaduw en schimmel
een beest dat zou bijten
of mijzelf schreiend
of van de wereld het eerste en laatste
niets

Koos Schuur (1915-1995)

niet voor vreugde geboren, te duister.
daarom schrijvend denken aan dorst

Jacques Hamelink

ZONDAGSMIDDAGS

Zondagsmiddags lopen door de stad,
meest op de Zeedijk of in de steden;
aan een toonbank dralen om den regen
of den weerschijn in het zinken blad;

wensen één te zijn van 't tweetal dat
uit het rek de keuen heeft gekregen;
zich mechanisch naar 't toilet bewegen,
door een raampje gluren op een plat.

Aan den overkant antennelijnen,
een gebroken beeld op een balkon,
lege bloempotten in de kozijnen.

Door den avond lopen naar 't station,
kijken naar het weggaan van de treinen,
achterblijven op een dood perron.

Ed. Hoornik (1910-1970)

Ik doe niets. Ik kijk zo maar naar het leven
en denk hoe eindeloos ik ervan houd.

Han G. Hoekstra

ALS IK JE AAN ZIE KOMEN

Als ik je aan zie komen
met de bedaarde waakzaamheid
van een dier op weg
naar zijn drinkplaats
probeer ik je te laten zijn
wat je jarenlang bent geweest:
een vreemde die ik nauwelijks kende.
Maar zodra je op de drempel staat
ben je heer en meester van
de situatie en van mij
die je optilt als een kleuter
en als vrouw in je armen houdt.

Hanny Michaelis (1922)

HET GEBROKEN GLAS

Eene vertelling

Cornelis had een glas gebroken
voor aan de straat;
Schoon hij de stukken had verstoken
Hij wist geen raad.
Hij had een afschrik van het liegen,
Wijl God het ziet;
En zou hij Mama nu bedriegen?
Dat kon hij niet.

Hij stond onthutseld en bewogen;
De Moeder komt;
Zij ziet de tranen in zijn oogen;
Hij scheen verstomd.
"Heeft Keesje," zei ze, "wat bedreven?
Wat scheelt er aan?"
"'k Heb," zei hij, "moederlief! zoo even
weêr kwaad gedaan.

Terwijl ik bezig met paletten
Bij 't venster was,
Vloog mijn volan, door 't forsch raketten,
Daar in het glas.
Maar als uw Keesje 't van zijn leven,
Niet weder doet,
Dan wilt gij 't immers hem vergeven,
Gij zijt zo goed!"

"Kom Keesje-lief, houd op met krijten".
Zei Moeder toen:
"'k Wil u dien misslag niet verwijten."
Hij kreeg een zoen.
"Die altoos wil de waarheid spreken,
Wordt wel beloond.
Die leugens zoekt voor zijn gebreken,
Wordt nooit verschoond."

Hieronymus van Alphen (1746-1803)

Het staat voor mij vast dat het onvoorwaardelijk najagen van de deugd
moet uitlopen op een grondeloos egoïsme.

Marnix Gijsen

Ik sla een hoek om.
Zo bijt een beitel.

Ik tref een hand aan.
Zo verschrompelt een roos.

Ik leer jagen op liefde.
Zo hijgt een zaag

en ik zie de zee.
Zo word ik oud.

Houd ik mijn hart vast?
Denk ik aan wierook?

Zo huivert een hamer,
kantelt een stad.

Hans Faverey (1933-1990)
uit: Gedichten (1980)

Terug naar citaten en gedichten
Home