Future magazine

Blind door een auto-ongeluk

Het verhaal van Kim

Ik leidde een heel normaal leven, zat op de MEAO, had al een paar jaar een vriend en ging veel stappen. Mijn levensmotto toen was dan ook: Lang leve de lol! Ik was achttien. Toen gebeurde het ongeluk. Die boom, die mijn hele leven op zijn kop zou zetten. We zaten met z’n vieren in de auto. Mijn vriend en ik zaten achterin. Het was een uur of 9 ‘s avonds toen het gebeurde. We reden door een onbekende oorzaak tegen een boom aan. De auto zat helemaal in elkaar, maar de inzittenden nog meer. Mijn vriend is bij het ongeluk om het leven gekomen, en ik, ik ben sinds die tijd blind.

Weken na het ongeluk kwam ik pas weer bij bewustzijn in het ziekenhuis. Ik lag niet in coma maar door de zware operaties en vele medicijnen ben ik lang buiten bewustzijn geweest. Tijdens het ongeluk kreeg ik een heel harde klap op mijn hoofd en had hierdoor een erg zware hersenbeschadiging. De eerste weken in het ziekenhuis heb ik alleen maar geknokt voor mijn leven. Van het ongeluk zelf herinner ik me niets meer. Alles wat ik weet, weet ik van horen zeggen.

Toen ik eenmaal echt bijkwam realiseerde ik me niet dat alles opeens zwart was, dat besef is heel geleidelijk gekomen. De eerste weken had ik een buisje in mijn keel, hierdoor kon ik niet praten. Wel heb ik toen veel geschreven. Ik heb mijn ouders op papier veel gevraagd over het ongeluk. Zij gaven hier antwoord op. En telkens als ze dachten nu gaat ze iets vragen over haar vriend legde ik mijn pen weg. Ik denk dat ik onbewust al wist dat hij dood was maar daar op dat moment niet mee geconfronteerd wilde worden, omdat ik het al zo moeilijk had.

Vanaf het moment dat het buisje uit mijn keel ging kwam ik pas echt bij bewustzijn. Ik ben toen veel met mijn ouders gaan praten. Zij vertelden me wat er allemaal gebeurd was en dat mijn vriend was gestorven. Toen ze me vertelden dat ik blind was reageerde ik heel onverschillig. Er werd me gezegd dat ik met een stok zou moeten gaan lopen, mijn reactie: Dat ga ik nooit doen hoor, ik hoef dat niet! Mensen om me heen snapten deze reacctie niet maar ze beseften niet dat ik nog niet volledig bij mijn bewustzijn was. Ik had me nog niet gerealiseerd wat er allemaal gebeurd was. Bovendien was ik steeds bezig met knokken om te overleven.

Ik heb 7 weken in het ziekenhuis gelegen. De eerste weken was het overleven. In de weken daarna was het oefenen, oefenen en nog eens oefenen. Ik moest opnieuw leren zitten want ik had zo lang gelegen. En omdat ik plotseling blind was geworden was ik mijn evenwichtsgevoel in het begin bijna helemaal kwijt. Verdere begeleiding voor mijn blind-zijn heb ik op dat moment nog niet gekregen. Deze begeleiding kwam pas toen ik terug ging naar het ziekenhuis voor therapie. Je leert dan de heel normale dingen, zoals appeltje schillen, jezelf aankleden etc. Maar dit vond ik allemaal maar heel weinig nut hebben. Daar denk ik nu overigens nog steeds zo over. Ik ben niet te spreken over de begeleiding die ik in het ziekenhuis kreeg. Ik kreeg het idee dat ze niet wisten wat ze met me aanmoesten en zomaar wat deden, zonder plan. Ze begrepen me niet, deze mensen wisten niet wat er in mij omging! Ik werd vaak respectloos behandeld. In het ziekenhuis hebben ze me ook teveel valse beloftes gedaan en teveel verzwegen.

Ik had tijdens dit alles natuurlijk ook twee dingen te verwerken. Het verlies van mijn vriend en het verwerken van mijn handicap, het niet meer kunnen zien. Beiden zijn rouwprocessen, toch kwamen er bij beide dingen weer andere gevoelens kijken. Ik weet niet precies hoe ik het moet verwoorden, dat vind ik heel moeilijk. Het moeilijkste was toch wel dat ik veel vrijheid kwijt ben geraakt. Ik wilde nog zoveel doen op dat moment en dat kon toen gewoon niet meer.

Ik heb in die tijd veel steun gehad aan familie en vrienden. Je moet het wel zelf verwerken maar dit hoef je niet alleen te doen. Mensen hebben me niet laten vallen, maar ze hebben me getroost, naar me geluisterd, met me gepraat. De mensen in mijn omgeving konden heel goed een evenwicht tussen deze dingen vinden. Hier hebben ze me erg mee geholpen. Ik heb de ruimte gekregen die ik nodig had om stappen te zetten, ik werd niet tegengehouden en ook niet gedwongen. Nooit maakte ik me boos over de hele situatie. Wel heb ik onmacht, angst, onzekerheid en nog veel andere gevoelens gekend. Maar boosheid nooit, daar heb ik toch geen reden toe!

Toen ik eenmaal bij de therapie in het ziekenhuis weg was ben ik naar de regionale instelling voor hulpverlening aan blinden en slechtzienden in Breda gegaan. Dit was ongeveer twee maanden nadat ik uit het ziekenhuis ben gekomen. Daar hebben ze me onder andere braille geleerd, maar ook stoklopen en typen. Verder de normale dingen zoals de dingen die ik leerde in het ziekenhuis. Hierna heb ik nog ongeveer acht maanden in revalidatiecentrum het Loo Erf gezeten. Na die tijd ben ik een jaar thuis gebleven. Ik wilde liever gelijk verder studeren, maar daar heb ik toch van afgezien, gelukkig.

Daarna kwam de moeilijkheid hoe ik om moest gaan met mijn handicap, met mijn omgeving, met andere mensen. Dit gaf weer onzekerheid. In het jaar dat ik thuis zat heb ik leren omgaan met de computer. En voordat ik mijn eerste geleidehond thuis kreeg moest ik drie weken intern naar Amstelveen. Die weken werden benut om met zo’n hond te leren lopen, om commando’s te leren kennen en gebruiken, leren herkennen wat de hond doet en waarom etc. Twee maanden nadat ik mijn hond thuis had gekregen begon mijn opleiding. In deze tijd moest ik dan ook erg veel oefenen met Breeze, mijn inmiddels gepensioneerde geleidehond.

Ik ben naar de opleiding maatschappelijk werk en dienstverlening gegaan. Er zat al een meisje op die opleiding die blind was, dus ze hadden er ervaring mee! Ik draaide gewoon de lessen mee, mijn boeken heb ik laten omzetten in braille en op cassette. Leraren printten opdrachten uit in braille. Dit vergaten ze overigens wel vaak. Dat nam ik ze best kwalijk, ze hadden er immers zelf voor gekozen mij aan te nemen!! Het contact dat ik met mijn medestudenten had, wisselde erg. In het begin lag dit ook wel aan mijn eigen opstelling. Ik durfde veel nog niet, stelde me best afhankelijk op in die eerste tijd. Ik geloof ook niet dat ze me helemaal konden begrijpen. Later, in een andere groep, ben ik me anders gaan opstellen, meer aangegeven wat ik zelf kon en wilde maar ook waarbij ik hun hulp nodig had. In de eerste groep deden ze soms nogal makkelijk over dingen. Bijvoorbeeld over het zelfstandig reizen met de trein. Ik durfde dit in het begin niet. Volgens hen moest ik het ‘maar gewoon een keer doen’ maar dat is makkelijker gezegd dan gedaan. Na lange tijd heb ik het inderdaad een keer gedaan, want ik wist dat ik het kon. Na de eerste treinreis die ik alleen gemaakt had voelde ik me best trots, want ik had het toch maar even gedaan! Ik had weer wat vrijheid terug. Doordat ik al vrij snel naar school ben gegaan stelde ik mezelf voor situaties waar ik dan veel van kon leren. Ik heb veel moeilijkheden moeten overwinnen, waar ik veel sterker door werd.

De opleiding die ik volgde is psychisch best confronterend, vooral mijn eerste stagejaar. Er worden je constant spiegels voorgehouden, dit was best moeilijk maar heeft me ook wel bij mijn verwerkingsproces geholpen. Wat ik wel vervelend vond op deze opleiding was dat mijn handicap zichtbaar is. Iedereen heeft wel iets in zijn/haar leven meegemaakt maar meestal kan dat verborgen blijven, ik kon dat dus niet. Soms had ik het gevoel er als handicap te zitten, en niet als Kim!

In het dagelijks leven merk ik dat er veel dingen in de samenleving nog niet aangepast zijn of berekend zijn op visueel gehandicapten. Dit is in twee dingen te splitsen: de omgang met mensen en het leven op straat. Ik merk bijvoorbeeld dat veel openbare gebouwen (of wegen) geen rekening houden met blinden en slechtzienden. Wat denk je bijvoorbeeld van de pinautomaten? Zo zijn er nog veel meer dingen. Op straat merk ik dat er op veel plaatsen bij o.a. stoplichten geen rubber- of ribbeltegels liggen. Dit ligt meestal aan de gemeente en aan de blinde mensen in die gemeente. Je zult vaak eerst bij de gemeente aan moeten kloppen voordat ze actie ondernemen.

De omgang met mensen is heel wisselend. De een gaat er heel makkelijk mee om, doet heel normaal, terwijl de ander bang is me te kwetsen of iets fout te doen. Maar ik vind het echt niet erg als mensen tegen me zeggen: Kom eens kijken . Wat ik wel aan mensen vraag is om mij in een vreemde omgeving een beetje de weg te wijzen, waar bijvoorbeeld een stoel staat of mijn kop thee. Echt praktische dingen dus. Verder wil ik het liefst dat ze me gewoon normaal behandelen.

Mijn leven ziet er nu leuk uit, ik doe vrijwilligerswerk bij de Kindertelefoon en het gehandicaptenplatform. Dit is leuk werk en erg zinvol. Ik heb daar leuke contacten opgedaan. Ik ga nog geregeld naar concerten of voorstellingen in de schouwburg. Ga lekker op vakantie, heb veel sociale contacten, doe aan fitness. Ik doe gewoon de normale dingen.

Bron: Future magazine, voorjaar 2002