Column Blindganger
Kim van Iersel, Wim Pierik en Frank Ter Beek schrijven beurtelings een column in het kwartaalblad De Stem van Grave over hun uiteenlopende ervaringen in het dagelijks leven. Kim van iersel, geboren in 1973, is getrouwd met Berry en woont in Tilburg.

Niet alles is wat het lijkt
Doorgaans ben ik me, als ik met iemand op straat loop, bewust van het feit dat anderen kunnen horen wat ik zeg. Persoonlijke of privacygevoelige onderwerpen bewaar ik voor een ander moment en /of omgeving. Maar soms gebeuren er dingen die je niet kunt voorzien. Zo liep ik eens met Chris, mijn oudste stiefzoon en mijn geleidehond hier in de wijk toen mijn hond onverwachts inhield met lopen, wat nogal merkwaardig was. Ik mompelde zo iets als: en wat gaan we nu doen? Links van me hoorde ik wat gegrinnik en Chris kon zijn lachen ook niet inhouden. Me van geen kwaad bewust vervolgde ik mijn weg en hij vertelde me wat er aan de hand was. Links van ons stond een stelletje elkaar te kussen wat mijn hond kennelijk erg interessant vond! Goede timing Kim!
Een andere dag was ik ook met mijn hond op pad en liet hem, na het uitlaten, snuffelen op het grasveld voor een museum, vlakbij mijn woning. Ineens dook er een stem op van een mevrouw die me vroeg wat er op dat bord stond. In een flits schoot door me heen dat dat een aparte vraag is aan iemand met een geleidehond en een herkenningsstok in haar hand. Maar ook bedacht ik dat er misschien wel “Verboden voor honden” op dat bord kon staan! Ik antwoordde dat ik het niet wist omdat ik blind ben. Ze moest lachen en zei dat dat wel heel toevallig was, zelf was ze zeer slechtziend! Helemaal geen rare of dubbelzinnige vraag dus.
Algemeen bekend is dat mensen elkaar, bewust of onbewust, kunnen beoordelen op het uiterlijk. Deze (eerste) indruk blijkt niet altijd te kloppen. Het is een ander verhaal als het ook uitgesproken wordt. Zo trof ik eens een taxichauffeur die meende dat ik ijdel ben. Dit baseerde hij op het feit dat ik een bril droeg en met een geleidehond liep. Ik vond dat nogal kortzichtig maar ben er toen niet op ingegaan. Wat zou ik ermee opschieten?
Of de opmerking van de man die gordijnen kwam ophangen die we kort ervoor in zijn winkel gekocht hadden. Hij groette me en merkte op dat ik toch wel in het donker zat. Na een korte stilte voegde hij eraan toe: oh maar dat zit jij altijd, waarop hij een bulderende lach liet horen. Het leek hem vast een heel goede grap, ik vond van niet.
Uit: De Stem van Grave, jaargang 76, nummer 2, mei 2026