Hoop in een donkere wereld

Op een druilerige zondag besloot ik een van mijn kasten op te ruimen. Ik kwam erg veel papieren en mapjes tegen, wat te doen? Scannen met mijn telefoon was onbegonnen werk. Gelukkig bood Berry uitkomst! En zo ontdekten we een interview met mij waarvan ik me werkelijk niets herinner. Het moet 1998 zijn geweest. Het was voor de rubriek Levensecht in het blad Fit & Gezond. Volgens mij bestaat het niet meer… Als ik het nu lees vind ik het tamelijk dramatisch en negatief klinken. Ik had 7 jaar achter de rug met nog vele voor me. Ik ben blij dat mijn kijk op het leven in de tussentijd positiever is geworden en ik de toekomst rooskleuriger voor me zie.

“Soms zie ik grote veranderingen van licht en dan krijg ik weer hoop. Zou ik toch….?”

TOEN KIM (25) OP HAAR ACHTTIENDE EEN AUTO-ONGELUK KREEG, VERLOOR ZE HAAR VRIEND EN WERD ZE BLIND

Kim was 18. Het leven was beloftevol, ze had een vriend, ze droomde van de toekomst. Tot dat middagje uit. Op de terugweg knalt hun auto tegen een boom. In één klap is Kim haar vriend kwijt en zijzelf blind. Zeven jaar later vecht ze nog altijd met de donkere toekomst.

Van de tijd vóór ik blind werd, zie ik nog beelden: de kleur rood, mezelf, mijn ouders en zusje. De foto’s in mijn oude fotoalbum, het park, de school waar ik op zat, de straat waar we woonden. Laatst keken mijn vriend en ik naar de film Dirty Dancing. Ik wist wat de hoofdrolspeelster droeg. Ik zie het in mijn gedachten. Soms is dat makkelijk als ik door mijn oude straat loop, kan ik de afstanden beter schatten. Meestal is het moeilijk: die oude beelden confronteren me met mijn gemis.

Graaiende handen

Als Kim de deur opent, steek ik gewoontegetrouw mijn hand uit. Kim doet niet hetzelfde en ik raak in opperste verwarring. Weet ze niet waar ik sta? Moet ik zelf haar hand nemen? Wil ze me geen hand geven? Omdat ik volledig door deze vragen in beslag word genomen, dringen haar woorden maar langzaam tot me door. Ze verwacht mij pas een uur later en weet nu niet wie voor haar staat. Als het raadsel is opgelost, volgt de fysieke begroeting alsnog. Later in het gesprek blijkt dat ik er goed aan heb gedaan niet zelf haar hand te pakken.
“Gek word ik ervan als mensen dat doen! Ineens voel ik zo’n hand graaiend op zoek naar de mijne. Zeg dan dat je me een hand gaat geven, dan overvalt het me niet zo en voel ik me minder machteloos. Graaiende handen zijn een confrontatie met het feit dat ik niet kan zien. Dat doet pijn. Nog steeds.”

IN HET BEGIN WAS IK NOG ONVERSCHILLIG OVER MIJN BLINDHEID. IK MOEST EERST DE DOOD VAN MIJN VRIEND VERWERKEN.”
Kim met taststok

Gescheurde oogzenuw

“Na een middagje uit rijden Kim en Henry met een bevriend stel met de auto naar huis. Om volstrekt onverklaarbare reden raakt de auto van de weg af en komt met een harde klap tegen een boom tot stilstand. Kims vriendin sterft ter plekke, Kims vriend de volgende dag. De chauffeur overleeft het ongeluk. Kim ook. Ze is buiten bewustzijn, levensgevaarlijk gewond. Een van de verwondingen is een gescheurde oogzenuw. Kim is voor de rest van haar leven blind. Als ze enkele weken later bij bewustzijn komt, vertellen haar ouders haar de waarheid. “In het begin was ik nog vrij onverschillig over mijn blindheid. Ik zag niets meer, maar het drong niet tot me door. Ik was helemaal in beslag genomen door de dood van Henry. Ik miste hem verschrikkelijk. Ik denk dat je geest niet meer emoties toelaat dan je kunt verdragen. Het verdriet was te groot.”

Het besef dat ze nooit meer zal zien, breekt dan toch door. “Het hoefde voor mij niet meer. Ik wenste dat ik op een andere stoel had gezeten, dat ik ook was dood gegaan. Ik voelde me zo verdrietig. Machteloos. Mijn leven was tot dan toe een en al pret en plezier geweest. Ik volgde een toeristische opleiding, had een leuk bijbaantje, ging tijdens de weekends gezellig stappen met vrienden. Het was lang leve de lol. Ik had altijd kunnen doen en laten wat ik wilde.”

“En ineens was niets nog vanzelfsprekend, mijn hele leven was voorgoed veranderd. Wat moest ik hiermee? Hoe graag ik ook wilde, ik kon niets doen. Ik hád niets te willen; het was definitief. Nog altijd kan ik het niet accepteren. Het is 7 jaar geleden en soms lijkt het of het gisteren was. Blind zijn. Nog altijd is het niet mijn realiteit. Het past niet bij mij. Ik kan het niet met mezelf in overeenstemming brengen. Terwijl je wéét: ik moet ermee leren leven. Ik moet proberen zo gelukkig mogelijk te worden met de mogelijkheden die ik heb.”

De trein in

“Tijdens de revalidatieperiode moest ik alles leren. Stofzuigen, mezelf aankleden, typen, brailleschrift, lopen met een stok, koken, drank inschenken…. alles. Alleen met de trein leren reizen vond ik het moeilijkst. De eerste keer vergeet ik nooit, doodeng was het. Ik stond daar, met mijn hond, in dat grote gebouw, al die mensen om me heen. Ik had het gevoel dat iedereen naar me keek; dat ze zouden zien hoe het me niet lukte om in te stappen. Heel emotioneel was het. Het was ook moeilijk: alles moest snel-snel, de hond mocht niet nerveus worden en moest de deur kunnen vinden, ik moest de afstand schatten van het gat tussen het perron en de trein. Toen ik eindelijk zat, voelde ik het als een enorme overwinning. Een geweldig gevoel van vrijheid kwam over me.”
Kim en geleidehond Breeze
De gewone, dagelijkse dingen die ze vroeger zonder nadenken deed, vergen nu inspanning en concentratie. “Dat is vermoeiend. Ik heb veel minder energie dan vroeger. Als ik ergens naartoe wandel, moet ik alles in de gaten houden: mijn hond, het verkeer, de mensen om me heen. Ik moet continu letten op de herkenningspunten van de route en vooruit denken. De volgende zijstraat, het volgende stoplicht. Loop ik met een groepje mensen rond op school, dan moet ik hen goed in de gaten houden, anders verdwaal ik.”

“Ik ben mijn vrijheid kwijt. Ik heb niet meer de vrijheid om te doen waar ik zin in heb. Boodschappen doen, fietsen, snuisteren in winkelstraatjes? Ik vind de boodschappen niet, ik kan niet meer fietsen, ik verdwaal. Wat ik ook wil doen, ik moet altijd organiseren, leren, voorbereiden. Mijn vrijheid verliezen is een van de ergste dingen van mijn handicap.”

“ABSOLUTE VERWERKING BESTAAT NIET. MAAR IK MOET BLIND ZIJN EEN PLAATS GEVEN.”

Blikken van verstandhouding

Niet kunnen zien is ook geen oogcontact meer kunnen maken. Kim mist het dagelijks. “Ik vind het niet zo erg dat ik niet meer weet hoe ik eruitzie. Ik heb dat beeld nog in mijn hoofd, al heeft het ongeluk mij veranderd. Ik heb littekens en een oog zit half dicht, is verlamd. Mijn lichaam maakt me soms onzeker; ik voel dat ik op bepaalde plaatsen stevig ben, maar doordat ik nooit het hele plaatje kan zien, weet ik niet hoe het totaalbeeld is. Ik vertrouw op het oordeel van intimi. Het ergste zijn mijn dode ogen: ik kan geen blikken meer wisselen met mensen; ik kan anderen niet meer in de ogen kijken. Ogen weerspiegelen ons wezen. Vroeger ging ik af op iemands ogen; ze gaven indrukken en informatie. Nu ga ik af op iemands stem, op hoe iemand spreekt, zich presenteert en een hand geeft. Dat duurt een tijdje, maar die indrukken geven je ook een vrij nauwkeurig beeld van iemands persoonlijkheid.”

“Ik heb Berry, mijn vriend 3 jaar geleden zo leren kennen. We hebben elkaar op een concert ontmoet en we zijn aan de praat geraakt. Ik weet ongeveer hoe hij eruitziet, door de beschrijving van anderen en omdat ik zijn gezicht voel: zijn neus, zijn mond. Maar het is een oppervlakkig beeld en ik kan de losse delen niet bij elkaar voegen. Dan klopt het niet meer; denk ik: ‘hé, die man ken ik niet!”

“Natuurlijk ben ik nieuwsgierig, maar ik vind het erger dat ik geen oogcontact met hem kan hebben. Dat we, in groepen, geen blikken van verstandhouding kunnen uitwisselen. Dat is zo’n klein, intiem contact.”

Eén boom heeft zoveel pijn berokkend

Gehoor en gevoel zijn nu de belangrijkste zintuigen voor Kim. Beide hebben zich na het ongeluk in een razend tempo ontwikkeld. “In het begin leidde dat soms tot paniek. Het geluid kwam heel hard op me af. Als er een auto naderde, maakte dat zo’n lawaai dat ik dacht dat hij met razende vaart op me afvloog. Ik sprong elke keer in mijn moeders nek! Nu is het rustiger geworden, maar ik hoor scherper dan andere mensen. Vooral op feestjes of bijeenkomsten waar ook kinderenzijn, is er een kakofonie van geluid om me heen. Lastig hoor, omdat ik me dan moeilijk op iets kan richten. Als er dan ook nog eens mensen zijn die zomaar tegen me aan gaan praten, zonder eerst mijn naam te noemen, wordt het helemaal verwarrend. Mensen staan er over het algemeen niet bij stil en dat maakt me boos. Ik ben het beu dat ik altijd maar begrip moet hebben voor het feit dat ze er niet bij stilstaan. Mensen moeten de moeite nemen zich wat meer in te leven in andermans situatie. Zo gebeurt het regelmatig dat mensen op mijn hond afstormen, tegen haar gaan praten en haar aaien. Dat leidt haar natuurlijk heel erg af en daardoor kom ik in de problemen. Daar kan ik razend om worden!”
“Maar”, probeer ik Kims boosheid te temperen, mijn eigen onhandigheid bij aankomst indachtig, “zo onbegrijpelijk is dat toch niet? Hoe kunnen ze nu weten wat ze nu wel en niet moeten doen, als jij ze dat niet eerst vertelt?” “Dat is wel zo”, geeft ze toe, “maar ik kan het niet. Telkens weer is zo’n situatie een confrontatie met mijn blindheid en dat is nog steeds heel emotioneel. Ik moet nog heel veel verwerken, er zit nog teveel verdriet. Sinds het ongeluk ben ik alleen maar bezig geweest: eerst met de revalidatie, toen met mijn studie Maatschappelijk werk. Die studie wilde ik dolgraag doen, dat was tenminste iets waar ik me prettig bij voelde en waarmee ik me kon bewijzen. Nu ook daarvan het einde in zicht is, kom ik misschien toe aan mezelf, aan het laatste stuk verwerking en acceptatie. Een tijdje geleden ben ik voor het eerst teruggegaan naar de boom waar de auto tegenaan geknald is. Dat was enorm heftig, het idee dat die ene, simpele boom zoveel pijn heeft berokkend. Hier was alles gebeurd, hier was Henry gestorven en was ik blind geworden. Op dat moment kwam alles weer naar boven. Niet alleen de pijn over het ongeluk en de dramatische gevolgen daarvan, maar ook mijn leven dat ik daarvoor had toen alles nog goed was. Ik heb de boom niet aangeraakt, ik kon het niet, het was veel te emotioneel voor me. Toch was het weer een stapje verder in het verwerkingsproces.”

“WAT IK OOK DOE, IK MOET ALLES ALTIJD ORGANISEREN, LEREN, VOORBEREIDEN. DOOR BLIND TE WORDEN BEN IK OOK MIJN VRIJHEID KWIJT, DAT IS HET ERGSTE.”

Een nieuw evenwicht

“Soms merk ik grote veranderingen licht op. Heel even krijg ik dan weer hoop. Denk ik: een klein stukje zenuw werkt dus nog, misschien breidt het zich wel uit. Maar ik weet dat het niet waar is. Ik vind het een heel eng idee dat ik hier voor de rest van mijn leven mee verder moet, dat ik echt nooit meer iets zal zien. Ik denk ook niet dat het me ooit zal lukken dat voor 100% te aanvaarden. Absolute verwerking bestaat niet. Maar ik moet het een plaats geven in mijn leven. Weer mezelf worden. Mijn blindheid als een deel van mezelf gaan zien. En hoe moeilijk dat ook is en nog zal worden, ik heb er alle vertrouwen in. Ik weet zeker dat ik een nieuw, goed evenwicht vind.”

Als ik weg ga, steek ik mijn hand uit en zeg: “Ik ga je een hand geven, Kim.” Ze lacht. En met een stevige handdruk nemen we afscheid.

Fit & Gezond, 1998
Productie: Monique van der Pauw

Gepubliceerd op
Gecategoriseerd als Interviews

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.