Categorieën
Beeldvormende artikelen

Beelden van een blinde filosoof

Beelden van een blinde filosoof

Een discussie over de implicaties van het blindzijn – in de vorm van een briefwisseling – tussen twee filosofen, Bryan Magee & Martin Milligan, waarvan de laatste blind is
Op zeer jonge leeftijd – 18 maanden – verloor hij het zicht in beide ogen en werd later een bekend activist en pleitbezorger voor gelijke behandeling en gelijke rechten van blinden in de Britse samenleving. Helemaal aan het begin van zijn eerste brief aan Milligan haalt Magee de filosoof Kant aan die tot de slotsom was gekomen dat al onze kennis van de wereld begint met ervaring.
Alleen door via onze zintuigen – met ons gezichtsvermogen als voornaamste – ervaring op te doen kunnen we tot kennis komen. Bij deze opvatting hebben blinden slechts een ‘drastisch’ beperkt en verarmd ‘zicht’ op de werkelijkheid. Een blinde zou dan ook niet echt andere mensen kunnen kennen, zoals zienden dat wel kunnen, waarbij Magee de vergelijking maakt met het beperkte kennen van iemand die je alleen kent uit telefonische contacten.
Telefoongesprek

Dat was meteen de knuppel in het hoenderhok! Milligan trekt in zijn antwoord dan ook stevig van leer. Hij verwijst naar de vertelling van H.G. Wells ‘The country of the blind’, waarin de tekortkoming van de enige man die in dat land kon zien wordt gevormd door het feit dat hij van alles kon doen wat de blinden niet konden. Dat bracht de blinden tot de overtuiging dat de vreemde knobbels in het gezicht van de ziende man een afwijking vormen en niet, zoals hij beweert, voor hem een pluspunt betekenen en een bron van kennis.

Duisternis

Milligan bestrijdt dat blinden in een wereld van ‘duisternis’ leven. Zij kennen uit eigen ervaring rechtstreeks geen licht en kunnen dus ook duisternis niet rechtstreeks ervaren. Wel kunnen zij zich werkelijk een voorstelling vormen van wat zien betekent, namelijk ‘dat wat de dingen zichtbaar maakt’.

Hij komt dan tot de slotsom dat blinden visuele begrippen als ‘licht’ en ‘duisternis’ tot op zekere hoogte kunnen begrijpen, maar niet voor de volle honderd percent.
Magee begrijpt uit Milligans uitspraak dat blinden, als ze nooit gezien hebben, niet in duisternis verkeren, dat zij ook niet het gevoel hebben iets te missen. Net zoals ziende mensen het niet als een gemis ervaren dat zij niet beschikken over een radar, zoals sommige vleermuizen, of over het reukvermogen van honden. Ziende mensen denken dus ten onrechte dat blinden in een permanente toestand van duisternis leven, wat voor hen een verschrikkelijke straf moet zijn. Dat blinde mensen zich gehandicapt voelen, komt doordat ze van ziende mensen horen dat die niet alleen kunnen horen en voelen, maar over nóg een zintuig beschikken, namelijk het vermogen om te zien. Door te zien ervaren zij licht, iets wat zij niet op zo’n manier kunnen beschrijven dat een blinde het kan begrijpen. Die kan dan ook met geen mogelijkheid de omvang beseffen van alles wat er gebeurt en hem ontgaat. Dit verklaart waarom hij niet begrijpt dat zienden blindheid als een ramp beschouwen.

Toch beseft Milligan dat blindheid niet in de eerste plaats een door de maatschappij opgedrongen handicap is, maar veeleer een gebrek dat mensen invalide maakt.
De meeste blinden worden door hun contacten met zienden dagelijks herinnerd aan hetgeen ze moeten missen en ze kennen met grote regelmaat een gevoel van frustratie en tekortkoming.
Het verlies van het gezichtsvermogen is een groot gemis, maar moet naar zijn mening niet worden opgevat als de ‘grote ramp’ omdat blindheid, als je er later in je leven door wordt getroffen en als je er met goede moed op reageert en anderen je daarbij een handje helpen, ervoor kan zorgen dat je in jezelf een nieuwe, zeer bemoedigende kracht vindt, en dat je tot het heldere inzicht komt dat zien alleen geenszins het belangrijkste is wat het leven te bieden heeft.

Magee blijft ervan overtuigd dat mensen die vanaf hun geboorte blind zijn niet kunnen weten wat ze missen, zoals mensen die op latere leeftijd blind geworden zijn dat wél weten. Magee zegt hier dus met zoveel woorden tegen de blinde Milligan dat hij er niet over kan meepraten wat het betekent op latere leeftijd blind te worden.

De discussie kwam helaas tot een voortijdig einde door het plotselinge overlijden van Milligan. Wellicht daardoor heeft het boek de vraag niet beantwoord: welke ‘beelden’ heeft een blinde van de hem omringende wereld?
En evenmin de vraag wat het betekent als je op latere leeftijd blind wordt.
Het zal ervan afhangen wat voor persoon je bent, denk ik.

Beelden van een blinde filosoof
Bryan Magee Martin Milligan
Vert. Ronald Jonkers
Amsterdam, Anthos, 2001. 270 p.
ISBN 9041405100
Volgens vele filosofen is onze kennis gebaseerd op wat wij waarnemen via onze zintuigen. Maar welke rol speelt het zien, of het onvermogen om te zien, bij onze beoordeling van de wereld om ons heen? Deze vraag inspireerde de bekende filosoof Bryan Magee tot een briefwisseling met zijn collega-filosoof Martin Milligan, blind sinds zijn vroege jeugd. Wat begon als een wijsgerige gedachtewisseling tussen Magee en Milligan ontwikkelt zich tot een persoonlijk getinte, diepgaande discussie over alle implicaties van het blindzijn.