Het Oranjeplein in de jaren vijftig

Jan van Iersel

Inleiding

De jaren vijftig van de vorige eeuw hebben in Straet & Vaert al verschillende keren de aandacht gekregen. Het waren de jaren dat Nederland een tevergeefse strijd voerde voor het behoud van Nieuw-Guinea, een strijd waar ook zeven Loonse jongens voor werden ingezet, waaronder Piet Jansen van het Oranjeplein. In diezelfde jaren was er voor hun jongere broertjes het Sint Jansgarde, in de volksmond het jongensgilde genoemd, een jeugdbeweging voor twaalf- tot zestienjarigen. Op wekelijkse bijeenkomsten in het parochiehuis hielden zij zich bezig met biljarten, tafelvoetbal, kaartspel, pingpongen en lezen. In de muziekwereld waren het de gloriejaren van harmonie Concordia, die in 1954 op het Wereldmuziekconcours in Kerkrade de degens kruiste met die andere befaamde Loonse harmonie, Sophia’s Vereeniging. Tot verbazing van vriend en vijand – dus zowat de hele Loonse bevolking! – was het Concordia dat als winnaar huiswaarts keerde en een groot feest vierde. De verslagenheid in het Sophiakamp was groot.

Ook kwamen de jaren vijftig in Straet & Vaert een aantal keren zijdelings aan de orde, zoals in het artikel over het postkantoor waar destijds in het nieuwe pand aan de Kerkstraat Antoon van Veldhoven kantoorhouder was. Bij hem kon je je spaarcentjes storten, die hij dan – uiteraard nog geheel handmatig en uiterst secuur – bijschreef in je spaarbankboekje van de Rijkspostspaarbank. En er was het artikel over de gezondheidszorg die toen door zegge en schrijve drie personen geleverd werd: huisarts Smals, Jo van der Avoird, ‘de bruin zuster’ die 37 jaar de kraamverzorgster is geweest in ons dorp, en de wijkverpleegkundige, dat was zuster Jovita, ook zij was een vaste verschijning in het straatbeeld, die zich in haar witte schort vanuit het klooster van het ene naar het andere ziekbed spoedde, met opgestroopte mouwen – en nog zonder wachtlijsten.

Dit artikel zet de schijnwerper op het Oranjeplein in de jaren vijftig, de jaren dat wij er opgroeiden en het pleintje onze buurtspeeltuin was. Aan bod komen, behalve het plein zelf, de bebouwing eromheen, de nabije omgeving, de bewoners en hun gezinnen, hun werkzaamheden, onderlinge relaties, hobby’s en kinderspelletjes en natuurlijk de bouw en ingebruikname van de kiosk. En dat alles vanuit ons gezichtspunt: hoe beleefden wij als kinderen onze jeugdjaren rond het Oranjeplein?

Maar eerst iets over het dorp Loon op Zand in de jaren vijftig en het plein dat ook toen al het hart van het dorp was, al had het nog geen winkelcentrum. Pas toen dat er in de jaren tachtig kwam, op de plaats van lederfabriek Verschuren, daarna gevolgd door het ontmoetingscentrum De Wetering, werd het steeds meer een volwaardig dorpscentrum. En tenslotte volgt de hoofdschotel: het rondje om het plein – met de klok mee. Onderweg zullen we, zoals het bij een monumentale muziektempel past, wat langer stilstaan bij de kiosk, die nu voor een groot deel schuilgaat achter Café-Brasserie Kiosk. De wandeling eindigt bij het kasteeldomein, waarna we ter afsluiting nog even terugkomen bij ons dierbare pleintje.

Voor de voorbereiding van deze bijdrage heb ik dankbaar gebruik gemaakt van de hierboven al genoemde en nog vele andere artikelen in de 24 jaarboeken Straet & Vaert, die vanaf 1981 zijn uitgebracht. De rest komt uit mijn geheugen, dat op veel plaatsen moest worden opgefrist en aangevuld. Dat heb ik gedaan door in het archief van de gemeente Waalwijk De Echo van het Zuiden van die jaren door te bladeren, maar vooral door te luisteren naar mensen die het kunnen weten en die ik bij dezen hartelijk dank zeg.

Loon op Zand in de jaren vijftig

In de jaren vijftig waren de traditionele verhoudingen nog dominant. Het gezin als hoeksteen van de samenleving met de man als hoofd en kostwinner, al gaf hij dan zaterdags zijn loonzakje trouw af aan moeder de vrouw. Zij wijdde zich aan het huishouden en was de eerstverantwoordelijke voor het gezin en de opvoeding van de kinderen. In dit beeld paste in geen enkel opzicht een buitenshuis werkende moeder en al zeker niet in de fabriek. Zoals het nabije Tilburg een industriestad was met bijna uitsluitend textielfabrieken, zo was Loon op Zand bezaaid met leer- en schoenfabrieken, overigens nog zonder gastarbeiders. Door hard werken en lage lonen draaiden de fabrieken goed. Ook daar waren de verhoudingen tussen baas en knecht duidelijk. Een groot deel van de bevolking bestond uit fabrieksarbeiders. Zij waren de ondergeschikten en hadden weinig in te brengen. Om twaalf uur, als het Angelusklokje klepte, zag je ze bij bosjes naar huis gaan voor het warme eten. En wie van verder kwam schaftte op de fabriek. Bij mooi weer zaten zij in lange rijen tegen de gevels op straat – gehoorzame, vlijtige mensen waren het. De verhoudingen waren duidelijk: kapitaal boven arbeid, mannen boven vrouwen, ouders boven kinderen en de pastoor als hoeder van zijn schaapjes aan de top.

Niet de burgemeester, maar ‘mijnheer pastoor’ was de eerste en eerbiedwaardigste burger. Hij bestuurde het dorp, samen met de andere notabelen: fabrikanten, fraters, de huisdokter, het kerkbestuur … en de freule, die met bijna feodale eerbied werd bejegend. Zij namen, hoog gezeten op de kiosk, het defilé af bij deze of gene gelegenheid. En zij zaten op de (dure) eerste bank vooraan in de kerk. Godsdienst doordrenkte het hele bestaan: dagelijks kerkbezoek voordat je naar school ging was normaal. Er bestond een nauwe eenheid tussen gezin, school en kerk. Maar er was ook leven in de brouwerij: een hoop cafés, dansavonden, carnaval, de koren, gilden en … de beide harmonieën. Het verenigingsleven was erg belangrijk en het onderlinge contact tussen buurtgenoten was groot. Iedereen kende iedereen, roddelde dat het een lieve lust was en bedacht de meest fantasievolle bijnamen, waarvan je je afvraagt of je ze wel aan het papier kunt toevertrouwen. Rond het Oranjeplein hoorde je namen als: de Gaotjes, Jut en Jul, den Drol en (het echtpaar) Jan Oopegat en Jaoneke ’t Keuntje. Maar men had ook veel voor elkaar over en burenhulp was vanzelfsprekend. De deuren stonden open – dat waren dan meestal wel de achterdeuren. Voor aanbellen was niet gebruikelijk.

Een ‘gesloten’ dorp was het van zo’n 3.000 inwoners. Totdat in de woelige jaren zestig alle deuren en ramen open gingen en een wervelwind alle tot dan onwrikbaar lijkende tradities omver blies. Wie het oordeel wil weten van een nieuweling in het dorp, de jonge dokter De Vries die in 1955 huisarts Smals opvolgde, zou zijn rede bij het afscheid van wijkverpleegkundige zuster Sommers kunnen lezen. Hij stak niet onder stoelen of banken dat er van alles mankeerde aan de omstandigheden waarin de mensen woonden en leefden. Waar de nonnen regeerden in het bejaardentehuis en op de meisjesschool, zoals de fraters dat deden op de jongensschool … en de fabrikant in zijn fabriek. Het wereldgebeuren drong er nauwelijks door. De opstand in Hongarije in 1956 was heel ver weg. Wat wél indruk maakte was de watersnoodramp in 1953, maar die kwam dan ook wel erg dichtbij: er kwam een Zeeuwse jongen in onze klas die als dakloos vluchteling een tijdlang onderdak kreeg bij boer Vermeulen.

Het Oranjeplein

Voor ons was het altijd al Oranjeplein, zo heette het immers in de volksmond, maar officieel was het Kerkstraat, die liep toen door tot de Kloosterstraat. In de jaren 1952 en 1953 zijn veel straatnamen veranderd. Dat zulke wijzigingen eigenlijk niet zouden moeten, ‘hoe goed bedoeld deze ook mogen zijn’ in de woorden van Jos Kerkhof, was in die tijd nog geen gemeengoed. Een commissie uit de gemeenteraad koos er toen voor om alle gelijkluidende straatnamen in Kaatsheuvel en Loon op Zand te schrappen en te kiezen voor nieuwe namen die wortelen in de plaatselijke historie. Bij het besluit om de straatnaam van het pleintje te wijzigen speelde echter nog iets anders. De straatnamencommissie (waarin overigens ook Frans van Tilborg zitting had – hij zal als bewoner van het plein hierna nog ter sprake komen) was van mening dat door de bouw van de kiosk ‘het daarbij aansluitende plein uiteraard meer dan gewone betekenis’ krijgt. Gewoon ‘Kerkstraat’ kon dus niet meer! Zo werd het ook officieel Oranjeplein. Dat was toen meer driehoekig dan nu en ook voor de kiosk langs liep een straatje. Dichtbij de twee grote platanen, doch meer in de punt, stond een ‘Oranjeboom’. Die was na de bevrijding geplant, maar werd weggehaald toen hij het verkeer ging belemmeren.

Onze leefwereld was nog heel klein, met als centrum het pleintje, dat door de meer gesloten bebouwing intiemer oogde dan nu. Het was onze speelplaats, waar wij veel voetbalden en zonder gevaar voor eigen leven de bal achterna konden rennen, de straat op. Alleen wanneer de bal de hoek in geschoten werd, waar nu Ann van Lier woont (Oranjeplein 7), kon daar een oud mannetje naar buiten komen, kwaad, de vuist omhoog, en dreigend dat hij hem in beslag zou nemen. Zonder ons heerste er meestal een weldadige rust, vergeleken met de drukte van nu.

Drukte was er hoogstens ’s morgens vroeg, wanneer van alle kanten hanengekraai te horen viel. Voor dag en dauw, nog voordat de mensen naar hun werk gingen, kon je een oud vrouwtje of een misdienaartje naar de vroegmis zien gaan, die om half zeven begon. Om een uur of zeven verschenen de fabrieksarbeiders, te voet of op de fiets. Daar waren ook ploegjes pendelaars uit Udenhout bij, de gastarbeiders van toen, die onder andere bij schoenfabriek Van Lier werkten, met de broodtrommels op de bagagedragers. Dan was er even een bijna stadse drukte van fietsers en voetgangers, waarna de rust snel weerkeerde. Tegen half acht zag je veel kinderen naar de kerk gaan voor de tweede mis van die dag. Daar kwam je op schooldagen niet onderuit. De godsdienstige opvoeding nam een belangrijke plaats in in het onderwijs. Leerkrachten, zoals Toos van Veldhoven, waren elke dag in de kerk aanwezig om erop toe te zien dat de schoolgaande jeugd de mis bijwoonde. En je moest nuchter zijn, want je moest ook ter communie. Dus ontbijten kon pas na de mis. En het werd zo langzamerhand schooltijd wanneer de bewoners van het fraterhuis St. Eligius in de Kloosterstraat voorbij kwamen richting jongensschool, zoals onze geliefde frater Angelico die zo mooi de verhalen uit de reeks Puk en Muk (van Frans Franssen) kon voorlezen en de minder geliefde frater Walbertus in de vijfde klas (nu heet dat groep zeven) waar je veel strafwerk van kon krijgen en die je hard op de vingers kon tikken met zijn met ijzer verstevigde liniaal. Deze jeugdherinneringen heeft de lezer overigens niet aangetroffen in het overzichtsartikel in Straet & Vaert over de Fraters van Tilburg, die in de jaren 1926 tot 1974 heel veel voor het dorp Loon op Zand betekend hebben, vooral op het gebied van onderwijs, godsdienst en cultuur.

Maar we keren terug naar de jaren vijftig. Tegen schooltijd was er de drukte van kinderen die, afhankelijk van leeftijd en geslacht, naar de nonnen- of de fratersschool in de Van Rijckevorselstraat gingen, allemaal te voet natuurlijk. Wanneer iedereen op fabriek of school was werd het weer stil. Af en toe passeerde een personenauto of verscheen een vrachtautootje ten tonele om het een of ander te laden of te lossen. Bijvoorbeeld Van Gend & Loos, die bij lederfabriek Verschuren moest zijn. Of meelhandel Teurlings uit Waalwijk bij bakker Huijbregts. Je zag dan een van onder tot boven wit mannetje zware zakken meel de poort naar binnen dragen. Elke dag stopte een open wagen met rammelende melkbussen bij de boeren in de buurt om de melk weg te brengen naar de fabriek in Tilburg, de CTM, of naar St. Isidorus te Udenhout, dat mag ik kwijt zijn. Een fabrieksknechtje deed zijn ronde op de fiets met stik- en plakwerk voor de thuisstiksters en -plaksters. Die werkzaamheden werden in de schoenindustrie vooral door vrouwen gedaan, echter meestal niet in de fabriek, maar thuis.

In een tijd dat de mensen zich voornamelijk met de fiets en de benenwagen verplaatsten, was het heel normaal dat de dagelijkse levensbehoeften aan huis werden bezorgd. Zo had elke bakker – en dat waren er maar liefst vijf in de jaren vijftig – naast de winkelverkoop een eigen bezorgdienst: dagelijks deed de bakker of zijn knecht op de bakfiets ‘zijn toer’ langs de klanten. De geleverde waren werden genoteerd in een boekje; afrekenen gebeurde op zaterdag. Zo ook de melkboeren; zij tapten de melk rechtstreeks uit een grote kan in je pannetje, dat kon zo het vuur op voor de pap of voor de beker warme chocolademelk ’s avonds na het bidden van het rozenhoedje. Kruideniers zoals Jan Maas bezorgden aan huis en zelfs de slagers deden dat. Zij moesten dan eerst hun ronde doen om van de klanten te ‘horen’ wat er nodig was. Zo ongeveer de halve middenstand kon je op straat tegen komen voor het slijten van zijn waren. Ook kwamen dikwijls opkopers aan de deur, zoals van oud ijzer, oude kippen, konijnenvellen, enzovoorts. Voor het afvoeren van het huishoudelijk afval was er de schillenboer, die op een open kar de aardappelschillen en groente- en fruitresten meenam. Een open vrachtautootje kwam langs om het overblijvende afval op te halen, dat was overigens lang niet zoveel als tegenwoordig. Het werd in een doos of kistje of iets dergelijks aan de straat gezet, plastic zakken of containers waren nog onbekend. En dan had je nog de bezorgers van kranten, zoals De Echo van het Zuiden (tweemaal per week), de postbode (tweemaal per dag), kolenboer, petroleumboer, scharesliep, voddenboer, schoorsteenveger, meteropnemers voor water en licht (elke twee maanden), ophalers van (vak)bondsbijdragen en verzekeringspremies (vooral op zaterdagmiddag als de mensen op de fabriek gebeurd hadden).

Een jongetje van een jaar of twaalf zeulde met een lege butagasfles voor op zijn fietsstang naar Nico de Jong in de Kerkstraat. Er was toen al wel een leidingnet van het gemeentelijk gasbedrijf, dat mijngas leverde, maar vóór de vondst van de aardgasbel in Slochteren in 1960 was lang niet iedereen op het gasnet aangesloten. Daar waren jarenlange proefboringen overal in het land aan vooraf gegaan, zoals in het Land van Kleef in 1952. Dat bracht de tongen in het dorp in beweging. Het gonsde van de geruchten over een olievondst. De krant stond er vol van. Maar na een half jaartje ploeteren trok de optocht van materieel en werkvolk met stille trom langs ons plein voorbij, op weg naar een nieuwe poging. De rust in het dorp keerde terug. Om twaalf uur kwam er weer leven in de brouwerij. Dan was de school uit en gingen de meeste kinderen, tegelijk met de arbeiders uit de fabrieken, terug naar huis, waar de warme maaltijd klaar stond. ’s Middags voltrok zich een vergelijkbaar patroon: stilte tijdens de fabrieks- en schooluren, waarna om vier uur weer de levendigheid van spelende kinderen op en rond het plein. Je kon er pastoor Schoenmakers langs zien komen in zijn lange zwarte toog met héél veel knoopjes. Soms was hij op de fiets. En als hij een paarse stola om had, wist je dat iemand stervende was die het H. Oliesel toegediend zou krijgen. Je stopte dan met spelen, stond stil en sloeg devoot een kruis. Het kon ook zijn dat hij bezig was met een nogal mysterieus onderdeel van de zielzorg, het afleggen van huisbezoeken; het was meestal tegen etenstijd dat hij zijn schaapjes bezocht. De pastoor stond in hoog aanzien en werd dan ook gastvrij ontvangen, of zijn onaangekondigde bezoek nu uitkwam of niet, hij kreeg voorgezet wat hij maar wilde: koffie, thee of een borreltje. Je stopte ook met spelen wanneer de werkdag in de fabrieken erop zat. Dan kwam ‘onze pa’ thuis en was het tijd voor het avondeten: boterhammen.

Tegen Pasen kon je er een trotse slager – Jos Dankers – met een prachtige eerste klas ‘paaskoe’ zien paraderen, bestemd voor de slacht, maar zo schoon alsof ze eerst in de badkuip was gestopt, zonde om te slachten. Dan naderde Paaszaterdag, het einde van die hele lange vastentijd, eindelijk … stipt om twaalf uur mochten we het snoeptrommeltje aanbreken.
Op een zondagmorgen in mei bestond er een grote kans om gewekt te worden door een of ander passerend muziekgezelschap. Dat heette dauwtrappen: men ging naar de Heikant, Udenhout of De Moer, woonde daar de mis bij, legde een bezoek af aan de dichtstbijzijnde kroeg, om daarna met veel leut en drank weer naar huis terug te keren. In een tijd van veel werken en weinig vermaak werden zulke uitstapjes in ere gehouden. Op de tweede zondag van mei vertrokken vanaf het Oranjeplein een paar honderd Loonse bedevaartgangers – in 1954 werd een record van 283 gehaald – om half vier ’s morgens te voet naar Den Bosch, waar de hoogmis in de St. Jan werd bijgewoond. ’s Middags kwamen ze al biddend en zingend weer aan in de Kloosterstraat, waar ze door achterblijvende dorpelingen werden opgewacht. Vandaar ging de stoet onder klokgelui naar de kerk, voorafgegaan door het vaandel van de broederschap Voetprocessie naar O.L. Vrouw van Den Bosch. Dat was dan de bedevaart voor de grote mensen, als lid van het jongensgilde hadden wij onze eigen bedevaart, natuurlijk ook te voet, door de bossen en duinen naar Elshout.

Een jaarlijks terugkerend hoogtepunt was de kermis eind juni. Alleen al de verschijning van de eerste kermiswagen gaf een gevoel van opwinding. Het opbouwen trok dan ook altijd veel jeugdige kijkers. Door het beperkt aantal attracties kon alles probleemloos op het pleintje een plek krijgen. Bovendien was er door het geringe aantal passerende auto’s weinig hinder van het verkeer. Hoogtepunt voor de kleintjes was de mallemolen, een draaimolen met mooi beschilderde houten paardjes en strijdwagens. Voor je het wist kondigde de bel het einde van de rit alweer aan. Een extra lokkertje was de flos, een soort kwast die aan een bal hing en boven de hoofden van de passagiertjes zweefde. Het was de kunst om die te pakken te krijgen, zodat je een gratis rit kreeg. Voor de luchtschommels moest je wat groter zijn. De uitdaging was om staande in een van de fraaie schuitjes zo vlug mogelijk hoog het dekzeil te raken, maar meestal werd je onherroepelijk afgeremd wanneer je daar in de buurt kwam. De gokkers kwamen aan hun trekken bij het bumperspel, een attractie van een vijftiental flipperkasten die in de rondte stonden opgesteld. Wanneer de uitbater voor alle kasten een speler had weten te strikken kon het spel beginnen. Voor de meesten bleef de teller op 600, 700 steken. Een enkeling kwam tot 1000, hoger ging niet. De gelukkige die het meeste aantal punten scoorde kreeg een of ander speeltje van bedenkelijke kwaliteit in zijn handen geduwd, op naar de volgende ronde. En dan had je nog de kramen met oliebollen, paling en niet te vergeten de snoepkraam, waar ze enorme zuur- en kaneelstokken verkochten. Al was het dan geen grootse kermis met het nieuwste van het nieuwste aan attracties, in onze jeugdjaren was het altijd een hele belevenis.

Oranjeplein 20

Het pand Oranjeplein 20 sluit de zuidelijke wand van het plein aan de oostzijde af. Het grensde toen aan een smalle straat – door ons ‘d’n dam’ genoemd – dat de overgang naar de Kloosterstraat markeerde en al snel versmalde tot een karrespoor dat naar een kleinschalig en gevarieerd landbouw- en bosgebied voerde, waar nu Molenwijck ligt. Door sloop van enkele woningen werd de steeg verbreed tot een riante toegangspoort naar deze nieuwbouwwijk. Het heeft trouwens maar weinig gescheeld of ook Oranjeplein 20 had er voor moeten wijken; er was namelijk een groenstrook naast de nieuwe weg gepland. De gemeente had het pand op papier al wegbestemd tot ‘dorpsbeplanting’, zonder enig overleg. Het behoud van het cultuurhistorisch en architectonisch erfgoed heeft zich in Loon op Zand nooit in een grote belangstelling mogen verheugen. Maar goed, het uit 1888 daterende huis staat er gelukkig nog, al was het maar vanwege het type gevel dat bijna alleen voorkomt in ons dorp en in enkele meer noordelijk gelegen Midden-Brabantse plaatsen, zoals Kaatsheuvel, Sprang-Capelle, Waalwijk en Drunen. Kenners spreken daarom van een Midden-Langstraats woningtype. Het karakteristieke ervan is het zadeldak dat haaks op de straat staat met de zogenaamde kloklijstgevel: gebogen of rechte zijlijsten die naar boven eindigen in een horizontale lijst, welke meestal uit twee delen bestaat: een bakstenen onderlijst en daarbovenop een zogenaamde kroonlijst. Loon op Zand kent enkele tientallen panden met dit geveltype, waaronder een paar aan het Oranjeplein. Nummer 20 is daar een fraai voorbeeld van met als bijzonder kenmerk het opmerkelijke metselwerk van de kroonlijst. In Straet & Vaert 1982 verscheen een uitgebreide beschouwing van deze traditionele architectuurvorm van de hand van Jos Kerkhof, die een pleidooi hield voor het behoud ervan: ‘Dáárom moet er een gemeentelijke monumentenlijst komen, zodat deze kloklijstgevels gespaard blijven voor ontsiering en sloop.’ Die monumentenlijst is er uiteindelijk wel gekomen, maar nummer 20 staat er niet op, net zo min trouwens als verschillende andere eveneens ‘monument-waardige’ panden rond het plein, zelfs de kiosk staat er niet op. Uit een door de provincie Noord-Brabant uitgevoerde inventarisatie blijkt dat die anders denkt over monumentenzorg en het behoud van bijzonder erfgoed dan de gemeente Loon op Zand. Als het aan de provincie ligt zouden aan het Oranjeplein, behalve de kiosk, de huisnummers 10, 14 en 20 (zuidzijde) en 17 en 19 (noordzijde) voor het nageslacht behouden moeten blijven en dus de status van monument moeten krijgen.

Maar terug naar de jaren vijftig. Achter het woonhuis staat een schuur, het ‘schop’ genoemd, met ‘het schoorke’ als bovenverdieping. Ooit was het achterste deel in gebruik als varkenshok; door een laag deurtje in de muur konden de beesten naar hun buitenverblijf. Tegen de schuur stond een kakdoos waar we maar niet verder over uitweiden.
Dit was dus ons geboortehuis waar wij door ons moeder met de hulp van zuster Van der Avoird ter wereld werden gebracht. Piet van Iersel, onze vader, was werkmeester bij schoenfabriek Neerlandia. Marie Verschuuren, ons moeder, is afkomstig uit Udenhout. De eerste jaren van hun huwelijk woonden in het linkerdeel van het huis ook nog opa en opoe, met hun nog thuiswonende zoon, ome Nil de Kort (opoe was na het overlijden van opa Van Iersel voor de tweede keer getrouwd). Opa De Kort was ging wel eens wandelen met Jan Aarts, oftewel ‘Jan de Jager’, die jachtopziener bij het kasteel was geweest , en met Gilion Dankers. Soms namen zij de kleine Piet van Iersel mee. Opa en de grote Gilion, ‘wat en half wat’, met tussen hen in die kleine dreumes, een mooi gezicht zal dat geweest zijn.

Tijdens de oorlog en in de jaren daarna stichtten onze ouders een kinderrijk gezin van elf kinderen. Het twaalfde, een meisje, heeft maar een half uur geleefd. In het doopboek schreef de pastoor er nondum nominatus achter, wat zoveel betekent als: de pasgeborene heeft geen naam gekregen. Piet van Iersel was soloklarinettist bij harmonie Sophia, waarvan hij meer dan 40 jaar lid was. Daarnaast was hij lid van een orkestje dat bruiloften en partijen in de omgeving muzikaal opluisterde, het Sophia’s Klein Orkest, dat in de jaren vijftig ook dikwijls optrad bij dansavonden in café Wijtvliet, in 1958 overgenomen door Willy en Toos Vermeulen. Verder gaf hij in zijn vrije tijd nog muziekles aan jong talent, soms zelfs tussen de middag voordat hij weer terug moest naar de fabriek. Daar op die fabriek – Neerlandia op de Hoge Steenweg – overleed hij in het harnas, op een maandag in 1968, op 56-jarige leeftijd. Moeder bleef met acht thuiswonende kinderen achter. Ze voedde hen verder op, werd lid en soms ook bestuurslid van zowat elk koor in het dorp, meldde zich als vrijwilligster in het verzorgingstehuis Venloene, en kreeg voor dit alles een koninklijke onderscheiding. Zij is nu de oudste buurtbewoonster en hoopt in het najaar (van 2005) de leeftijd van 89 te bereiken.

Een rondje

Wie woonden er toen verder aan het plein en in de directe nabijheid daarvan? We doen een rondje met de klok mee. Naast ons op Oranjeplein 18 zat de brood- en banketbakkerij van Theer Huijbregts, het winkel-woonhuis was in 1928 gebouwd door zijn vader Jan Huijbregts (nu cafetaria ’t Pleintje). Theer was getrouwd met een friezin, Gudula Brandsma, iedereen noemde haar Duul. Ze hadden negen kinderen. Links naast de winkel was de ‘goei’ kamer, die echter bij speciale feestdagen, zoals Sint Nicolaas, Kerstmis en Pasen, werd ingericht als toonkamer voor allerlei producten, zoals chocoladeletters, speculaaspoppen en paaseieren. Rechts sloten grote dubbele deuren de ingang af – de poort – waar Willem Wouters na zijn toer de bakfiets naar binnen reed. Van daaruit kwam je in het magazijn en de bakkerij, die doorliep tot achter de woningen ernaast (nummers 14 en 16).
Van de kinderen werkten Mien (Mieke), Miep, Menno en Sjef mee in de zaak. Toen Jan, de oudste, in militaire dienst zat, schoot hij op oudejaarsnacht zijn geweer leeg om de (boze) geesten te verdrijven, een oude traditie, of was het alleen maar branieschoppen? Als vertegenwoordiger in edele metalen was hij de enige in de buurt die auto reed, een Austin Morris, als ik me niet vergis. Later zou hij actief worden in het maatschappelijk leven en de politiek, als raadslid en wethouder. In de zomerse dagen van de Tour de France, toen er nog geen televisie met live-uitzendingen was, hing zoon Sjef aan de poort de etappe-uitslagen op. In een bakkerij heeft men dikwijls behoefte aan handjes, bijvoorbeeld om kistjes volgepropt met krenten en rozijnen los te maken en er de steentjes en takjes uit te sorteren, om bakplaten schoon te maken, enzovoorts, enzovoorts. Wanneer we ons niet zelf na schooltijd meldden, floot Theer over de muur van nummer 20 en dan meldde zich prompt een oproepkrachtje. Eens toen er eentje meende dat hij niet snel genoeg zijn centen kreeg, schoot hij uit balorigheid met een luchtbuks een serie gaatjes in Duuls onderbroek, die aan de lijn te drogen hing. Theer was een duivenmelker, zijn duivenhok was boven de bakkerij. Zijn vroegtijdig heengaan kwam op een avond in 1962. Willem Wouters ging het de hele buurt aanzeggen. Sjef zette de zaak voort, maar ook hij stierf jong, in 1979, waarmee een einde kwam aan het bakkersgeslacht Huijbregts.

Het huisje ernaast, Oranjeplein 16, stond pal voor de bakkerij. De bewoonster was Stientje Schoenmakers, die zich als oud vrouwtje nuttig maakte door appels te schillen voor bakker Huijbregts. Zij was ongehuwd gebleven en dreef vroeger samen met haar broer Jan een manufacturenzaak. Zij had een achterom die direct naar de bakkerij voerde, maar geen achterom voor haar fiets, die moest door de voordeur naar binnen.
Een deur verder, nummer 14, treffen we nog meer vrouwelijk schoon: Bets en Mien IJpelaar, die de Centjes werden genoemd, naar hun moeder Sijntje (of Cijntje van Francijna) Schoenmakers. Bets was thuisstikster en Mien hielp haar. Toen Mien verkering kreeg en het jonge stel een eindje ging fietsen, fietste Bets ook mee. Uiteindelijk bleven beiden ongetrouwd, in hun mooie huisje, ook al meer dan 100 jaar oud en met een kloklijstgevel, die zo typerend is voor het straatbeeld in de dorpskom van Loon op Zand.
Op nummer 12 woonde Harry van Loon, een boer die koeien hield en de melk zelf in het dorp uitventte. Daar kwam geen melkfabriek aan te pas. Hij laadde zijn waren op een open rijtuig, spande er zijn paard voor en ging zijn ronde doen. De losse melk ging rechtstreeks de pan in. In de oorlog bezorgde hij zelfs in de schuilkelder van Huijbregts, waar als het gevaarlijk werd ook de buren welkom waren. In 1951 stierf hij plotseling en liet een stille, teruggetrokken vrouw na met drie zoons en drie dochters. Twee jaar later is een van de meisjes als gevolg van een hartafwijking gestorven. Dat was Tonnie, het jongste kind. Ze was bijna zeven jaar oud.

De winkel met woonhuis van Dina Wijtvliet op nummer 10 is in 1930 gebouwd. Ook dit is een erg fraai pand in de stijl van de ‘Amsterdamse School’ met in het oog vallende glas-in-lood-ramen boven de winkelpui. Dina had een winkel waar van alles te koop was. We kochten er eieren en andere levensmiddelen en huishoudelijke benodigdheden, soms kleurig papier en touw om vliegers van te maken. Maar meestal gingen we er met een stuiver in de hand geklemd lekkere snoepjes uitzoeken. We hadden er plezier in om haar voor de gek te houden en misbruik te maken van haar goedgelovigheid en haar slechte gehoor. Dit laatste bezorgde haar de bijnaam ‘dove Dina’ of ‘Dina de dove hen’. Op een keer wilden twee jongetjes een zakje zaad kopen voor zomergoed voor in de tuin. Dina verstond de vraag niet en het duo herhaalde: ‘Een zakske zaad voor zomergoed’, waarop ze de onsterfelijke woorden sprak: ‘Erpel en soep?’ Schaterlachend verlieten de jochies de winkel, Dina boos achterlatend. Maar het gebeurde ook dat twee jongetjes hun snoepgoed betaalden met papieren centen, die toen op school in gebruik waren als lesmateriaal. Dat kwam natuurlijk uit en dus kregen de ouders bezoek van Dina en moesten de boefjes haar om vergiffenis vragen. Toen een van het stel dat weigerde, kreeg hij prompt de politie aan de deur. Soms moesten we zo lang wachten in haar winkel dat we ten langen leste maar doorliepen naar achteren, waar we haar in het kippenhok aantroffen, druk bezig met eieren rapen. We hadden ons op ons gemak met de hele winkelvoorraad aan snoepgoed uit de voeten kunnen maken. Daar is ook wel misbruik van gemaakt, proletarisch winkelen heet dat nu. Ondanks haar doofheid en de pesterijtjes was Dina een vriendelijke vrouw.

Oranjeplein 8 was opnieuw een karakteristiek pand met kloklijstgevel, in dit geval met een houten kroonlijst. Helaas is het in de jaren tachtig, in 1987 om precies te zijn, gesloopt en vervangen door misplaatste en protserig ogende nieuwbouw die er kennelijk in een moment van ambtelijke onoplettendheid bij het welstandstoezicht door is geslipt. Destijds woonden er de kinderen Vermeer: de gebroeders Lieske, Kees en Piet en hun zuster Bet, allemaal ongetrouwd. Zij behoorden tot de echte dorpsfiguren en stonden beter bekend onder de naam de ‘Gaotjes’, een bijnaam waar Emile van Beers al tekst en uitleg over heeft gegeven. In een oude aanbouw achter de woning was hun schoenfabriekje gevestigd, waar je zo binnen kon lopen om een praatje te maken – het was er de zoete inval – of om schoenen op maat te laten maken. Dat het industriële tijdperk niet aan ons dorp voorbij was gegaan, kon daar worden aanschouwd. Er stond een rijtje aftandse machines die met behulp van assen en leren riemen en met veel lawaai werden aangedreven door een centrale electromotor. Eens ging er een jongetje uit de buurt vragen of zijn nieuwe voetbalschoenen al klaar waren. Er was nóg een klant, een grote jongen uit de Tuinstraat of daaromtrent, die niet in militaire dienst hoefde. Hij was afgekeurd omdat ‘een been te kort was’. ‘Welk?’, vroeg Lieske, met een mond vol teksen. ‘Het middelste’, antwoordde de grappenmaker.

We gaan maar gauw verder naar huisnummer 6, alweer een groot, mooi pand met een typische halsgevel, waar Martijn Maas woonde met zijn vrouw, drie dochters en zoon Christje. Martijn Maas was mede-eigenaar van schoenfabriek Neerlandia. Sinds de tweede helft van de jaren zestig is het een bedrijfspand met een jammer genoeg weinig fraaie winkelgevel, waardoor het aanzicht er niet op vooruit is gegaan.

De straat overstekend zien we zowaar een rijksmonument voor ons, de statige pastorie, die al eens uitgebreid is beschreven. We laten die dus maar links liggen en komen dan bij een echte fabrikantenvilla, bewoond door Jan van Lier en zijn vrouw Luce Wagemakers. Zij kregen vijf kinderen, waarvan er een op jonge leeftijd overleed. Jan van Lier was een dorpsnotabele. Behalve directeur van de bekende gelijknamige schoenfabriek was hij maatschappelijk actief, vooral op het religieuze vlak: als kerkmeester, lid van het kerkbestuur en ook van het kerkelijk armbestuur. Eerst woonde de familie Van Lier op diezelfde plek in een mooi oud herenhuis, waar een paar eeuwen lang brouwerij ‘De Eenhoorn’ in gevestigd is geweest en naderhand een leerlooierij van de firma Brands. Een huis met geschiedenis dus. Maar oud moest plaats maken voor nieuw. ‘Wederom is één van de oudste huizen van het dorp gedoemd te verdwijnen’, schreef De Echo van het Zuiden toen het plan bekend werd. Tegelijkertijd sneuvelde het witte huisje pal ernaast, waar Jan Wartenberg woonde, voor Loonse mensen ‘Jan van Bartjes’. Voor de liefhebbers: van het gevelaanzicht van beide panden en trouwens van alle overige panden van de noordzijde van het Oranjeplein bestaat een schets van de hand van architect Hub Prins.

In de noordwestelijke hoek van het plein stond het oudste huis van Loon op Zand, het zogenaamde pothuis, ook wel als het voormalig rentmeesterhuis aangeduid. Het bestond uit drie gedeelten met elk een eigen ingang: de huisnummers 7, 9 en 11. Elk deel was apart verhuurd. Vóór aan de straat woonde Cornelia van de Ven, de voormalige huishoudster van Sjaak Bouman die in 1947 was overleden. Opzij aan de kant van Van Lier woonde het echtpaar Oomen dat een dochter had en aan de andere kant, in de aanbouw achterin – het kleinste huisje van het dorp – het echtpaar Veraa-Van Broekhoven. Helaas was een brand in 1979 aanleiding om het gehele monumentale pand tegen de vlakte te gooien. Nieuwbouw kwam er voor in de plaats, bewoond door Ann van Lier. In de hoek waar nu haar tuin is, stonden twee karakteristieke schoenmakershuisjes, wat bescheiden teruggebouwd en verscholen achter twee mooie leilindes. Links woonde eerst Marinus Mathijssen en daarna Jo en Betsie Swaans en rechts Janus IJpelaar met z’n twee vrijgezelle dochters. Een van beide leilindes is gerooid toen hij bij de opbouw van de kermis in de weg stond. De schommels moesten – zoals elk jaar trouwens – op die plek staan. Zonder er een woord aan vuil te maken werd een mooie leilinde neergehaald. De waardevolle huisjes zelf was het al eerder slecht vergaan. Op zekere dag hing er een bordje ‘onbewoonbaar verklaard’ aan de voorgevel. Een benzinemaatschappij kocht ze op om er een pompstation te vestigen, maar dat lot is het plein bespaard gebleven.

Dan komt de ‘twee-onder-een-kap’ met de huisnummers 17 en 19, die alleen al door zijn ligging aan het plein niet weg te denken is. Maar ook de fraaie afwerking maakt dit in 1915 gebouwde pand heel bijzonder, zie vooral de mooi afgewerkte omlijsting van de voordeuren, de granieten vloer langs de voorgevel die op de uiteinden is afgesloten door natuurstenen paaltjes en kettingen. Voor de oorlog heeft er de looierij van Janus Brands achter gestaan; als je de oude schetsen moet geloven was dat een enorm groot bedrijf. Na de oorlog had mijn oom Karel van Iersel daar enige tijd zijn fietsenfabriekje ‘Het Kasteel’ en er heeft ook nog een tijdje een strandballenfabriekje in gezeten. Omstreeks 1950 woonde in het linkergedeelte op nummer 17 de gepensioneerde Frans Brands met zijn vrouw. Toen er achter zijn woning brand uitbrak, ging Frans met zijn geldkist midden op het pleintje zitten. Wij keken thuis vanachter het zolderraam toe. In 1954 is Herman Mols daar komen wonen, huisschilder van beroep. Zijn vrouw heette Willy de Beer en hun kinderen Jef, Elly en Jan. Herman was plaatsvervangend commandant van de vrijwillige brandweer en volgde in 1958 Jan van Roosmalen op als commandant. ‘Zijn’ brandweercorps viel bij wedstrijden meerdere keren in de prijzen. Herman was een geziene figuur die, 51 jaar oud, stierf tijdens een reis – in 1963 – met de brandweer in Duitsland. Nu woont er zijn zoon Jef, ook huisschilder, met mijn zus Lucia.
De deur ernaast op nummer 19 woonde Frans van Tilborg, die getrouwd was met Fien Huijbregts. Hij was wethouder en loco-burgemeester geweest en bestuurslid van Loon op Zands Belang, destijds een vereniging die een belangrijke rol speelde, een soort dorpsraad zouden we nu zeggen. Maar Frans’ grote hobby was de muziek, hij speelde piston bij Sophia, waarvan hij in de oorlogsjaren ook bestuurslid is geweest. Hij was leerlooier en daarna lederhandelaar van beroep en is nadien met zijn bedrijfje verhuisd naar de Kloosterstraat. De nieuwe bewoners waren Bart Kemmeren, zijn vrouw Martina en hun jongste dochter Toos. Bart was kolenboer geweest en boerde er een beetje bij als hobby; hij hield achter het huis een paar varkens.

Daarnaast, op nummer 21, woonden Nelis Jansen en zijn vrouw Netje Hornman, een zachtaardige vrouw. Zij hadden drie kinderen, Jeanne, Geert (Gerard) en Piet. De jongens kwamen veel bij ons over de vloer om te spelen of zomaar om wat te kletsen. Geert heeft een keer een boeiend artikel geschreven over gedwongen winkelnering in de Loonse schoenindustrie. Nelis vertegenwoordigde de klasse der hoofdarbeiders in onze buurt: als boekhouder van lederfabriek Verschuren werkte hij in een kantoortje, dat tegen zijn huis was geplakt. Nelis was een markante persoonlijkheid en een gezien persoon in de Loonse gemeenschap die vol grappen en grollen zat. Hij kon zomaar op straat een kind dat voorbij kwam aanspreken met de woorden: ‘Zo gauw mijn fiets gejongd heeft, krijg jij het kleintje.’ Iedereen die hem gekend heeft, weet zich nog wel mooie voorbeelden te herinneren. Hij vertegenwoordigde het buurtschap ‘Plein – Kasteellaan’ in het Centraal Buurtcomité. Elke buurt had een buurtcomité, een soort buurtvereniging. Daarboven stond de vereniging Loon op Zands Belang, met dokter Smals en na hem dokter De Vries als voorzitter. Die hield zich met heel veel bezig, zoals de viering van Koninginnedag, de Sacramentsprocessie, een jubileum of afscheid van een notabele, zoals de pastoor, enz. enz. Loon op Zands Belang heeft ook een grote rol gespeeld bij de totstandkoming van de kiosk. Dat alles kostte geld en het was een van de taken van de buurtcomités om dat door collectes bij elkaar te brengen. Dikwijls werden klachten van bewoners, bijvoorbeeld over stankoverlast, illegale stortingen, onveilige verkeerssituaties via de buurtcomités doorgegeven aan Loon op Zands Belang, dat dan probeerde daar iets aan te doen.

Achter het kantoortje van Nelis stond de fabriek en lagen gevaarlijke looiputten waar we niet mochten komen en waar je maar beter niet in kon vallen. De stevige fabrieksgevel leende zich uitstekend voor een niet geheel ongevaarlijk knikkerspel. Elke speler had een knikker, een ‘dollai’, een kleine metalen bal. De kunst was om de dollai van een andere speler, die op een steen tegen de fabrieksgevel werd gelegd, te raken. De stoker van Verschuren was Toon de machinist. Hij kwam uit Tilburg, had handen als kolenschoppen en een grote enge bult op een van zijn vingers. Hij pakte zomaar een draad vast waar stroom op stond, dat voelde hij niet eens. Maar het zou natuurlijk ook kunnen dat hij ons voor de gek heeft gehouden. Daar moest je als kind altijd voor oppassen. Het was namelijk een wijd verbreid gebruik om kinderen in de maling te nemen. Ze stuurden je rustig naar de fietsenzaak van ‘Peer Fiets’ in de Tuinstraat voor een zakje lucht om een lekke band te repareren. Toon ging trouwens ook regelmatig buurten in de bakkerij van Huijbregts – totdat hij betrapt werd op diefstal van een krentenbrood.

Voorbij de hoofdingang en vóór het fabriekscomplex van Verschuren stonden pal aan de straat twee huisjes. In het eerste woonde Gerard (op zijn Frans) IJpelaar, getrouwd met Rika Dannenberg. Ze hadden zes kinderen, de oudsten waren Sjef, Tiny en Diny (Zus). Zoals overal was er naast vriendschap ook wel eens ruzie. Eens gooiden twee Van Ierseltjes, samen met Ad Mathijssen, steentjes naar de broertjes Sjef en Tiny die voor hun huis stonden. Daarbij sneuvelde een ruit. In zo’n situatie is aanvallen de beste verdediging: wij beweerden eendrachtig dat niet wij, maar zij zelf, door een steentje achteruit te gooien die ruit hadden ingegooid! Wij hielden dat bij hoog en bij laag vol zodat we het op den duur zelf gingen geloven.

Naast het gezin IJpelaar woonde een drietal ongetrouwde dochters van Jan van der Velden (‘Jan van Leene’), die als thuisstiksters de kost verdienden. Het gebeurde in een strenge winter – dat moet 1956 geweest zijn – dat wij met onze kortgeknipte kopjes en in korte broek op het pleintje aan het voetballen waren en een van hen, Marie, bezorgd kwam informeren of wij het niet koud hadden. Toen Sjaan een ernstig ongeluk kreeg moest haar schedeldak gelicht worden, wat – zeker in die tijd – een zeer zware operatie was. Haar toestand was kritiek en de buurt hield een noveen. Negen dagen op een rij liep een stoet buurtbewoners naar het kapelletje aan de Tilburgse weg om vol overgave tot Maria en Jezus te bidden voor haar herstel. Sjaan heeft het gehaald.

Aan de overzijde van deze twee huisjes gaf een poort toegang tot het boerenerf van Mathijssen met, aan de kant van het plein, de waswetering waar in 1951 de befaamde muziekkiosk werd gebouwd, maar daarover dadelijk meer. Alles verder vanaf de Weteringstraat noemden we toen voor het gemak ‘d’n Doel’. Links was de looierij van Verschuren, die helemaal door liep tot aan de Tuinstraat; een tweede poort gaf toegang tot het fabrieksterrein. Het kon er af en toe een smerige bedoening zijn: de blubber liep dan zó de poort uit de straat op. Een vieze, stinkende smurrie, die je beter niet aan je schoenen kon krijgen. Dat ging allemaal maar zo. De mensen lieten veel over hun kant gaan, maar ja, de leder- en schoenindustrie was natuurlijk wel hun boterham. Toen de goede jaren voorbij waren, is de fabriek gesloopt om plaats te maken voor het winkelcentrum. Men zegt dat Verschuren plantaardig looide en de bodem niet verontreinigd was. Een bodemsanering heeft in elk geval niet plaatsgevonden. Waar we ook niet mochten komen was de Muskesberg in het Land van Kleef, waar gevaarlijk speelgoed lag, blindgangers uit de oorlog. Daar zijn nog twee Loonse jongens verongelukt door een exploderende granaat. Wel fietsten we, als het hard gevroren had, naar de IJsbaan in de bossen aan de Waalwijkse Baan, waarover ons uitgebreid verteld was dat die in de crisistijd door werklozen was gegraven, als werkverschaffing, dus geheel zonder machines, wat zwaar lichamelijk werk geweest moet zijn. Wij moesten al onze jeugdige krachten al aanspreken om een vrachtje geel zand in onze bolderkar thuis zien te krijgen. Dat zand haalden we in ’t Hoenderpark, een braakliggend lapje grond in de Venloonstraat; we gebruikten het om de zandbak te vullen voor onze jongere broertjes en zusjes. In de zomeravond keerden fietsers – ook uit Tilburg en soms nóg verder – terug uit de bossen aan de Waalwijkse Baan, hoog beladen met grote zakken ‘kroten’, oftewel dennenappels of mastappels. Die waren uitstekend geschikt als aanmaakhout voor de kolenkachel en bovendien voor niks, nou ja, er was eigenlijk een vergunning voor nodig. Die kon je op het postkantoor of gemeentehuis voor 2,50 gulden krijgen, maar dat wist bijna niemand.

Ook streek er ’s zomers op het plein nogal eens een groepje voerlieden neer. Zij zaten op huifkarren met witte huiven en kwamen tegen de avond in colonne aanrijden om daar te gaan zitten schaften. Als we geluk hadden kregen we een appel of peer toegeworpen. Dat waren de kleiboeren, die de hele dag in Tilburg aardappelen, groenten en fruit hadden verkocht en ’s avonds nog terug moesten naar hun dorpen in de polder: eerst naar Waalwijk, daar met het Besoyens pontje de Maas over en dan nog naar Drongelen, Dussen, Wijk en Aalburg, Veen, of nog verder, dat moeten lange dagen geweest zijn. Dat poldergebied was trouwens ook van groot belang voor de boeren in onze streek. Elke boer in Loon op Zand had er wel een perceel hooiland. Als je geluk had mocht je daar in de zomervakantie een keer mee naar toe. ’s Morgens vroeg al, gezeten op een platte kar, met paard bespannen, op weg. Brood en limonade mee. En ’s avonds pas weer terug, hoog gezeten op het hooi, dat met dissel en touwen stevig was gesjord. Je kreeg wel de opdracht om je goed aan de dissel vast te houden, anders zou je van het hooi glijden. Een feestdag was dat!

De kiosk

Vanaf 1951 was de muziekkiosk met zijn karakteristieke schelpachtige vorm een gezichtsbepalend bouwwerk op het Oranjeplein. Opvallend is het timpaan (een duur woord voor het driehoekig bovenstuk van de voorgevel) met de banderolle (band) waarin de tekst ‘Loon op Zand’ staat met daarboven het gemeentewapen. Het is een uniek bouwwerk dat, zoals gezegd, er vooral door de inspanningen van Loon op Zands Belang is gekomen. Een dorp met twee topharmonieën moest openluchtconcerten kunnen geven, zo was de redenering. Al in de jaren dertig werden inzamelingsacties gehouden onder de Loonse Bevolking, maar de oorlog gooide roet in het eten. Al die jaren kon je horen verzuchten: ‘Hadden we maar een kiosk!’, zoals bijvoorbeeld bij de Oranjefeesten rond en op het plein in 1948, waar toen een geheel verlichte prachtige muziektent voor was gehuurd. Pas na het herstel van de oorlogsschade en dankzij de goedgeefsheid van de Loonse bevolking en – het moet gezegd – een zeer royale financiële bijdrage van de gemeente kon het plan eindelijk tot uitvoering komen. De geestelijke vaders van dit ‘monument voor Loon op Zand’ waren architect Nijsten uit ’s-Hertogenbosch en geluidsarchitect Schweigman uit diezelfde stad. Tegelijk met de bouw verfraaide de gemeente het pleintje en de omliggende straten en trottoirs, zodat het een mooi geheel werd. Aannemer Grootels uit Eindhoven had bij de grondwerkzaamheden geen geluk. Het graafwerk bleek een heel karwei te zijn, omdat daar tot veertig jaar eerder, op het vroegere Weteringplein, een diepe brandkuil was geweest, ook wel de ‘waswetering’ genoemd, die gebruikt werd om de was te doen en voor de bluswatervoorziening in geval van brand. Langer geleden moet daar een waterloop, ‘de Wetering’, gelopen hebben. In elk geval was in de loop der tijd de kuil volgestort met kapotte dakpannen en ander stortmateriaal. Twee arbeiders uit Kaatsheuvel hebben maandenlang in de blubber met pikhouwelen staan zwoegen om die puist puin los te hakken en op een vrachtwagentje af te voeren. Het werk nam daardoor veel meer tijd in beslag dan gepland. Erg vonden wij dat niet, want hun geploeter in dat manshoge gat was voor ons een bezienswaardigheid. Na de bouw bestond onze bolderkar meer uit metaal dan hout: wij vonden de kar een mooie bestemming voor de kilo’s spijkers die op de bouwplaats voor het oprapen lagen. Voor het waterdicht maken van het dak werd teer gebruikt. Een paar ondernemende jongetjes smeerden zich in met dat spul tot zwartepieten. Dat gaf een hele consternatie: ‘Pietje Pek’ en zijn maatje, omringd door de joelende jeugd van de buurt en thuis een paar boze moeders die er veel werk mee hadden. Maar de bouw vorderde en toen de kiosk er eenmaal stond was het een aanzienlijke verfraaiing van het plein.

Op een zaterdagmiddag, volgens de krant was het 29 september 1951, het was heerlijk najaarsweer, werd de kiosk plechtig geopend en in gebruik genomen. Een stoet van plaatselijke harmonieën, zangverenigingen en gilden kwam opgemarcheerd van het opstelpunt in de Gerlachusstraat. De ceremonie begon met toespraken. Als eerste kwam dokter Smals als voorzitter van Loon op Zands Belang aan het woord. Hij bedankte de bevolking en de gemeente voor hun gulle gaven. Burgemeester Van der Heijden vond dat Loon zo’n mooie muzieknis waardig was, immers ‘de faam der Loonse kunst reikt tot ver over onze landsgrenzen’. Hij sprak de hoop uit ‘dat de jeugd het niet zal beschouwen als een speelplaats.’ Volgens Jan van den Heuvel, die als voorzitter van de oudste harmonie sprak, zou ‘deze muziektempel’ niet misstaan ‘in een der grote parken in de hoofdstad’. Hij eindigde met: ‘Laat dit gebouw er alle ingezetenen aan herinneren, dat zij tegenover hun muziekgezelschappen een plicht te vervullen hebben (…).’ Waarvan acte! Daarna waren er optredens van Sophia, Loon op Zands Gemengd Koor, fanfare St. Joachimsmoer, Echo der Duinen en Concordia, onderbroken door het vendelen der gilden, waarvan door een grote menigte toehoorders, ook uit omliggende plaatsen, genoten werd.

Er zouden nog veel voorstellingen volgen in dit unieke concertgebouw met zijn voortreffelijke akoestiek. Jaar in jaar uit verzorgden Sophia en Concordia er in de zomer avondconcerten en taptoes en ook de plaatselijke zangkoren gaven er uitvoeringen. Zoals, om een voorbeeld aan te halen, op 8 september 1956, een met heerlijk najaarsweer begunstigde zaterdagavond. De uitvoering was die avond van Sophia en de Echo der Duinen en trok weer veel publiek, zowel uit de Loonse bevolking als de omliggende plaatsen. De verslaggever van De Echo van het Zuiden had ervan genoten: ‘Het was weer een avond zoals er ons te weinig geboden worden.’ Zulke optredens werden soms ook gegeven door muziekverenigingen van buiten het dorp, die zich eveneens steevast in een grote belangstelling mochten verheugen. In het begin werd de kiosk ook bij tal van andere gelegenheden gebruikt, zoals voor uitvoeringen op Koninginnedag en andere nationale feestdagen, bij de intocht van St. Nicolaas, voor het celebreren van het plechtig Lof op Sacramentsdag, enzovoorts. Bij zulke gelegenheden werd de kiosk gewoonlijk versierd met bloemen en soms zelfs het hele plein eromheen. Een enkele keer streek er voor de kiosk een rondreizend theatergezelschap neer. Maar daar moest je dan voor betalen en er werden doeken omheen gespannen. Dus zocht een aantal buurtbewoners hun balkonplaatsen op: boven achter het raam!

Op Sacramentsdag trok na het Lof een grote processie zingend en biddend van de kerk naar het pleintje. De route was versierd met bloemen. Dat gebeurde door de buurtschappen, waaronder de buurtschap Plein-Kasteellaan, waar wij onder vielen. Onder een baldakijn de pastoor met de monstrans, begeleid door jonge bruidjes en luister bijgezet door de harmonieën, zangverenigingen en gilden. Op de kiosk stond het rustaltaar opgesteld, vanwaar de zegen met het Allerheiligste werd gegeven. Vandaar trok de stoet weer terug naar de kerk.

Op 9 mei 1955, 10 jaar na de oorlog, werd op het Oranjeplein op stijlvolle wijze Bevrijdingsdag gevierd. Na de plechtige H. Mis trok een kleurige stoet naar het pleintje waar de gebruikelijke plaatselijke notabelen een defilé afnamen. Daarna volgden toespraken, vendelen, reidansen en liederen van het jongenskoor. En ’s middags na de volksspelen, met maar liefst 800 deelnemers, was er een concert en ter afsluiting ’s avonds een fakkeloptocht.
Een paar maanden nadat pastoor Schoenmakers in 1955 het nieuwe kerkhof aan de Kloosterstraat plechtig had ingezegend, verliet hij, onze ‘pater familias’, zijn dierbare parochie. Op de kiosk nam hij een defilé af. Een stoet van alle Loonse verenigingen en gilden trok voorbij. Een massa mensen was getuige van de plechtigheid. Na toegesproken te zijn door de voorzitter van Loon op Zands Belang, de vertrouwde dokter Smals, gaf hij zijn laatste zegen en trok het volk ontroerd huiswaarts, nagewuifd door de scheidende herder. Het was maar een paar weken daarna dat ook dokter Smals afscheid nam, overigens met stille trom. Bijna dertig jaar was hij huisarts in ons dorp geweest, waarvan het grootste deel ook voorzitter van het Wit-Gele Kruis, en daarnaast jarenlang voorzitter van Loon op Zands Belang. Met beider vertrek in het midden van de jaren vijftig leek een tijdperk ten einde te zijn, alsof alles anders werd. De kermis was niet meer wat het geweest was en werd steeds meer een cafégebeuren, het bleek nodig om per brief een uitdrukkelijk verzoek tot de inwoners te richten om bij de Sacramentsprocessie de ‘grootst mogelijke eerbied in acht te nemen’, bij begrafenissen zagen we een echte lijkwagen met dragers in uniform voorbij komen richting het nieuwe kerkhof aan de Kloosterstraat (zodat we onopvallend vanachter de gordijnen konden toekijken wie er allemaal meeliep in de lijkstoet) en – jammer voor ons, maar een zorg minder voor onze ouders – de gemeente ging iets aan de riolering doen zodat de straat niet meer tot bij de voordeur blank stond na een beetje bui. Er zaten veranderingen in de lucht, al leken de jaren zestig nog ver weg.

Het vervolg

Terug naar ons rondje. Achter de kiosk vooraan in de Kloosterstraat bevond zich de boerderij van Harry Mathijssen, die een stuk of vijf, zes koeien had (nog zonder nummers in gele oorflappen), enkele varkens en her en der wat perceeltjes land; in de schuur en op het erf scharrelde nog wat kleinvee, vooral kippen. Nu zouden we zeggen een keuterboertje, maar in die tijd viel daar best de kost mee te verdienen. Voor het huis stonden twee leilindes die, tot diens overlijden in 1953, altijd netjes werden gesnoeid door Koos van der Schoor, de tuinman van het kasteel en grafmaker van het dorp . Rond Sint Nicolaas kwam Tom Dankers er altijd een varken slachten. Harry, zijn vrouw Jana Hamers en hun zes kinderen konden de winter weer door. Wij gingen daar dikwijls spelen, hadden er veel vrijheid en mochten ook meehelpen. Een leuke tijd was het voorjaar, wanneer de koeien naar buiten mochten, de wei in. Dolblij en opgewonden liepen ze dan door d’n dam, alles onder schijtend, liefst op zaterdagmiddag wanneer alles rondom huis geveegd en aangeharkt was. Kon er weer gepoetst worden. Dat moest dan trouwens toch, want als de stal leeg was moest de mest eruit en alles schoon worden gemaakt, tot de giergoot toe – dat was een minder leuk werkje. We brachten het paard naar de wei, hielpen bij het melken van de koeien en bij het verscharen van het ene naar het andere weiland. En natuurlijk bij de oogst, zoals het opbinden van het gemaaide graan en het in de vorm van kleine indianententjes tegen elkaar opzetten van de schoven, en bij het rooien van de aardappels. Hoewel al wel gebruik werd gemaakt van machines, zoals bij het maaien en dorsen, was er nog veel handwerk en kon de boer dus best helpende handjes van zijn kinderen en hun vriendjes uit de buurt gebruiken. Maar het was toch vooral dat we ernaar toegingen om te spelen. Bij Mathijssen konden we altijd binnen lopen. Als kind voel je haarfijn aan waar je welkom bent en bovendien: de boerderij trekt altijd kinderen. Toen ons moeder een kindje kreeg dat maar een half uur geleefd heeft, liet onze pa ons even in het wiegje kijken naar dat bleke hoofdje en bracht ons toen gauw naar Mathijssen, waar Jana zich over ons ontfermde. We hebben daar gespeeld en mochten die keer ook blijven eten.

Naast de boerderij zat middenstander Kees van Son. Daar was om te beginnen een kruidenierszaak, gedreven door zijn vrouw Jans en dochter Cor. Daarnaast was de slagerij, waar je geholpen kon worden door Kees zelf of door zijn zoon Adriaan of dochter Andrea. Als bijverdienste had Kees van Son een taxibedrijfje, aanvankelijk bestaande uit twee zwarte koetsen, die gebruikt werden voor trouwfeesten, begrafenissen en zo. Begin jaren vijftig werd deze vervangen door automobielen, waarin ook dochter Cor reed. Ook Kees en Jans hadden naar goed katholiek gebruik een groot gezin.

We gaan niet verder ‘’t Eind’ in en keren, de straat overstekend, terug. Vóór het fraterhuis St. Eligius – ongeveer waar nu het ontmoetingscentrum De Wetering staat – bevond zich alweer een boerenerf, namelijk van Harry Vermeer, die het had gepacht van de familie Swaans. Boerke Vermeer was geen hereboer. Het was een driftig manneke, dat niet altijd zachtzinnig omging met zijn trekpaard, een echte Belgische knol. En toen een paar buurjongetjes een winterpeen uit zijn landje pikten, zat hij ze zó woest achterna dat een van hen uit pure kinderangst in een regenpijp klom en daarbij zijn wang openhaalde. Hij bloedde als een rund. Zijn moeder bracht hem achter op de fiets naar dokter Smals, die de wond zonder omhaal en verdoving met twee hechtingen dichtte. Geen wonder dus dat wij onder elkaar achter zijn rug om de woorden ‘boerke stront’ in de mond namen. Toen Piet Swaans er zelf in wilde trekken, moest Harry er met zijn vrouw en vier kinderen uit. Ze zijn met hun kleine veestapel vertrokken naar de schrale zandgronden van Schaik, nóg schraler dan de onze. Overigens gaf de vestiging van vele kleine boerenbedrijfjes in de dorpskom tussen de ‘burgers’ zelden problemen. Het kon af en toe lekker stinken en soms kregen we bezoek van muizen, vooral als de winter voor de deur stond. Onze buurman aan de andere kant van d’n dam, Chris Schellen, had er geregeld last van in zijn vogelkooi. Met klemmen probeerde hij ze te vangen. Het is zelfs voorgekomen dat Chris zijn fiets wegzette op de leerlooierij in Waalwijk waar hij toen werkte, en er een muizensnoetje uit de omslag van zijn broek te voorschijn kwam. De hele rit had hij het muisstille gezelschap van een lifter gehad. Later ging Chris in het dorp bij Baeten werken. De buren van Schellen aan de andere kant waren Koos en Leen Dannenberg. Hun woning, net als die van Schellen en een gedeelte van het boerderijperceel van Vermeer, moest wijken voor de ontsluitingsweg naar Molenwijck. Het echtpaar Dannenberg hield zich wat afzijdig van de buurt. Vóór zijn pensionering ging Koos elke werkdag trouw met de bus naar Waalwijk, waar hij in een schoenfabriek werkte. Zij hadden drie kinderen, waarvan dochter Ricky nog thuis woonde. Zij kon op een mooie zondagmorgen, als de hoogmis uit en de kerk leeggestroomd was, het raam open zetten en de hele buurt opvrolijken met keiharde orgelmuziek – genre smartlappen voor meezingers – en dan naar haar schoonzus die achter ons woonde roepen: ‘Hoorde ’t, Jo?’

Terug naar onze buren, het gezin Schellen. Chris was getrouwd met Lena Knoops en zij hadden vier kinderen: twee zoons en twee dochters. Chris was als echte vogelliefhebber altijd in de kooi achter in zijn tuin te vinden, waar wij wel eens gingen kijken en buurten als we om een praatje verlegen zaten of thuis een klusje wilden ontlopen. Dag in dag uit kon hij daar uren in de weer zijn. Om de tuin van Schellen stond een heg. Dikwijls kwam de hond van Kees van Son, die altijd los liep, daar zijn behoefte doen. Het was een Duitse herder die luisterde naar de naam Simon. Wij waren er allemaal bang van. Op een goede dag was de maat vol en hebben we dat beest van alle kanten bestookt met kiezelsteentjes, die lagen er genoeg rondom het telefoonhuisje achter ons huis. We hebben Simon nooit meer gezien in onze dam, de toegangspoort tot een landbouw- en natuurgebied, dat samen met het kasteel en alles daaromheen, eveneens tot ons speeldomein hoorde. Het eerste, bredere deel van d’n dam was bestraat, daarna werd het een zandweg, waar volop ruimte was voor allerlei spelletjes, zoals ‘landveroveren’. Achter de tuin van Schellen, gescheiden door een smal voetpaadje, bevond zich het boerenerf van Vermeer, waar een oude, vervallen schuur stond, die in de jaren zestig geheel vernieuwd is en nog weer later gesloopt werd voor de nieuwe weg. Bij de schuurdeur kwam elk jaar na oogsttijd een dorsmachine te staan, een indrukwekkend gevaarte. Door een oude tractor en via wild zwiepende leren riemen werd de machine aangedreven. Rieken wierpen er aan de bovenkant de korenschoven in, waar ze in een gat verdwenen en terechtkwamen in een soort houten kist, waarin – onzichtbaar en geheimzinnig – het kaf van het koren werd gescheiden. Er was alleen te zien wat uit het schuddende, stampende en een hels kabaal makende gevaarte kwam. Dat was aan de ene kant het graan dat via een slurf in jute zakken werd gedaan en aan de andere kant het gedorste stro, dat – o wonder der techniek – zonder menselijk gezwoeg werd samengeperst en tot balen gebonden. Het hele gebeuren werd omlijst door één grote stofwolk, die alles en iedereen – arbeider én toeschouwer – bedekte. Op een andere dag kwam op diezelfde plek een vrachtautootje aanrijden waaruit een enorme hengst werd geleid, die fanatiek werd aangemoedigd om het arme paardje van boer Vermeer van achteren aan te vallen. Verbaasde, onschuldige kinderoogjes bezagen het schouwspel met open mond.

Ook aan de overkant was veel te beleven. In het huis tegenover de schuur woonde de eerste jaren na de oorlog het gezin van Janus Spapens en Marian Aarts. Janus had tot begin jaren vijftig een timmerbedrijfje. Hij had een vaste knecht in dienst en bij tijd en wijle een paar losse krachten. Janus Mutsaers, die aannemer was, werkte veel met hem samen, zoals bij klussen aan de kerk. Het gezin Spapens zou uiteindelijk twaalf kinderen tellen en was daarnaast in het rijke bezit van een hele dierentuin. In de eerste plaats duiven, want Janus was een echte duivenmelker die veel wedstrijden vloog. In een kooi zaten kanaries en allerlei andere vogeltjes. Ze hielden konijnen en er scharrelden kippen, krielkippen, eenden en goudfazanten op het erf rond. En dan was er nog een hondje en een waakgans die iedereen die achter op de plaats kwam bij zijn lurven wilde grijpen. Kortom, het was er een drukte van belang. Zó druk, dat het soms noodzakelijk was om een gans te slachten of wat duiven, die dan de soeppan in gingen. Dat deed Marian, zij was dat immers als dochter van Jan de Jager wel gewend. Hun kinderen met Kees als oudste (die een paar jaar later nog het dorp op stelten zou zetten door de hoofdprijs in de Steentjesloterij te winnen) vormden een vriendenclubje met een aantal leeftijdgenootjes uit de buurt, zoals van Huijbregts, Van Son en Brands. In de naoorlogse jaren trokken zij ten strijde tegen een clubje uit d’n Doel. Het strijdtoneel bevond zich in den Uilenhoek, de Weteringstraat door naar achteren. Van door de Engelsen en Canadezen achtergelaten spullen, zoals patronen en lege benzineblikken, bouwden ze tanks en mitrailleurs. Een favoriet vermaak dichter bij huis was het vangen van een eend om die tot over de droogstaande gracht van het kasteel weg te brengen en daar in de lucht te gooien; het beestje vloog terug naar huis waar weer geprobeerd werd om het te pakken te krijgen, enzovoorts. Soms trok een groepje grotere jongens van een man of tien naar een bosje in ‘het schuine paadje’, waar een uitgebreid netwerk van loopgraven werd gespit en ondergrondse forten werden aangelegd, afgedicht met hout en gebladerte. Ze brachten er hele dagen door, zonder ooit ruzie te maken. Dat moet daar volgens zeggen een gezellige boel geweest zijn. Een van de meisjes van Spapens bracht er een grote pan met hete appelstamp naartoe. Er waren bij Spapens dus veel leuke en avontuurlijke dingen te beleven, het was zogezegd een waar speelparadijs waar kinderen uit de buurt graag naartoe gingen. Zoals trouwens onze hele toenmalige leefwereld – in al zijn beperktheid en alledaagse soberheid – een rijke omgeving was om in op te groeien. Maar aan alles komt een eind. Janus stopte met zijn bedrijfje en ‘verhuurde zich’ aan schoenfabriek Van Lier als timmerman/onderhoudsmonteur. Het gezin Spapens vertrok naar een bedrijfswoning in de Kerkstraat.

In de achtergelaten woning kwam Jos Maas te wonen, die van de kant van Dongen of Rijen kwam. De grote beukenbomen waren toen al lang en breed gerooid, maar de gigantische wortelstronken zaten voor een groot deel nog in de grond. Jos vroeg en kreeg zowaar toestemming van de freule om die eruit te halen. Na een dag lang werken in de looierij van Hollandia, waar hij voorman was, had hij nog de energie om de hele zomer lang elke avond die wortels bloot te leggen en met een bijl tot spaanders te kappen, die hij op de kruiwagen naar huis bracht om er in de winter de kachel mee te stoken.

Toen hij het huis in 1957 te koop zette, vroeg hij er maar liefst 15.000 gulden voor. Dat was in die tijd zoveel geld dat een belangstellende dorpsgenoot (dat was Ries van Dooren) die het was gaan bezichtigen, tegen wie het horen wilde uitriep: ‘Hij vraagt er 15.000 gulden voor; hij is hartstikke gek!’ Evengoed werd het verkocht. Toon Dannenberg was de, uh, … nieuwe eigenaar. Hij was getrouwd met Joke IJpelaar. Zij hadden geen kinderen. Toon was een zoon van Koos en Leen Dannenberg en schoenstikker in Waalwijk. Hij had iets aan zijn rechter been en liep mank. Als een brutaal iemand hem ‘Toon de kruk’ noemde, kon hij kwaad worden en flink met zijn kruk uithalen, zodat je maar beter uit de buurt kon blijven.

Voorbij de bebouwing begon een gevarieerd landschappelijk gebied dat door ons zeer toepasselijk omschreven werd als daar ‘achter onder de bomen’. Molenwijck bestond zelfs nog niet op de tekentafel. Je kon er twee kanten op. Naar links voerde een karrenspoor naar een uitgebreid gebied van bosperceeltjes, weilanden en akkers, een typisch Brabants zandgrondenlandschap van vóór de ruilverkaveling, met sloten en houtwallen als perceelsgrenzen. In de winter liepen links en rechts laaggelegen stukken weiland onder water, zoals bij Bink, waar we als het gevroren had veilig konden schaatsen – op botjes, het was behelpen. Vooraan achter het erf van boer Vermeer lag een stukje land waar nog munitie uit de oorlog in de grond zat en het minder veilig was. Na de eerdere ongelukken met oorlogstuig, zoals op de Muskesberg, was het ons natuurlijk ten strengste verboden daar in de buurt te komen. Aangrenzend lag een prachtige door een beukenheg omsloten kloostertuin, waar je soms een frater zag lopen, al mediterend. De beukenheg zat in het voorjaar vol meikevers, die we mulders noemden. Het was een sport om die te vangen en aan een touwtje te binden of in een luciferdoosje te stoppen, dierenbeulen dat we waren. Een pad achter de tuin voerde naar de Koeisteeg. Daar stonden (knot)wilgen en elzen waar we de elzenproppen van gebruikten als munitie voor onze proppenschieter. Dat schiettuig maakten we van een stukje waterleidingbuis; daarin paste een ijzeren stang die op een blok hout was bevestigd en als hamer diende.
In het voorjaar dwaalden we urenlang door de velden. Er waren daar veel weilandjes vol met margrietjes, boterbloemen, paardebloemen en koeienvlaaien. We zochten er naar vogeleieren, vingen vlinders of joegen een konijn of haas op. Daar was het dat een communicantje op een mooie zondag in mei praktisch onderricht kreeg van zijn oudere broertje over de werking van stroom – door hem op een prikkeldraad te laten plassen. En daar is het, dat een bijzonder mooi, landschappelijk hoogst waardevol, zo niet uniek natuurgebied plaats moest maken voor een nieuwe woonwijk, Molenwijck geheten.

Kozen we voor de andere kant, het schuine paadje naar rechts, dan lag daar het uitgestrekte domein van het kasteel uitnodigend voor ons. De paden waren omzoomd met machtige beukenbomen, waaronder het fijn spelen was. Ook werd er veel gewandeld, zoals door Noor Smals, als kind aan de hand van haar vader, de huisarts, die in haar roman Ingetuigd en ingetogen steeds weer terugkeert naar die beukenbomen en het kasteel. Helaas waren veel bomen door beschietingen bij de bevrijding flink beschadigd; de takken waren er van afgeschoten en alleen de gehavende, halfkale stammen stonden nog overeind. Toen op een kwade dag eind 1945 een jongen, de twaalfjarige Piet van Loon, door een vallende tak verongelukte, bleek pas goed hoe levensgevaarlijk de situatie was. Toch had het nog heel wat voeten in de aarde voordat met het rooien werd begonnen. Daar is toen heel wat gezwoegd met bijl en trekzaag; maandenlang heeft het werk geduurd.

Rechts had je de kasteelweide en links de spie, een grasveldje dat gebruikt werd als voetbalveldje voor de buurt, maar ook als gildenterrein. De schutsbomen stonden er voor evenementen zoals het Koningschieten, een zesjaarlijks gebeuren in het gildenwezen. In september 1954 was het er groot feest, het 170-jarig bestaan van het gilde St. Ambrosius, de oudste vereniging van ons dorp. Vanaf de oprichting in 1784 was een Verheyen hoofdman (voorzitter), een band dus tussen St. Ambrosius en ‘Het Kasteel’ van 170 jaar. Maar liefst 50 gilden waren van de partij, waaronder natuurlijk de beide andere Loonse gilden: St. Hubertus en het sinds 1969 slapende St. Crispijn. De rondwandeling door de straten, met een defilé op het Oranjeplein, voerde naar het gildenterrein. De hoofdschotel aldaar bestond uit schietwedstrijden. Voor de dorstigen en danslustigen stond er de in die tijd alom bekende feesttent van Paashuis. Verder was er een tentoonstelling en wel op een bijzondere plek: de binnenplaats van het kasteel, wat als een bijzonder voorrecht gold. In dat kasteel woonde het kinderloze echtpaar Carel en Emilie ten Horn-Verheyen. Na het overlijden van de dokter bleef ‘de freule’ er alleen wonen. Een van de Van Ierseltjes, de oudste, had er buiten schooltijd een baantje. Dat bestond uit het bijhouden van de siertuin en schoonmaken van de kippenkooi. Af en toe mocht hij haar hondje Floor uitlaten. Gewoonlijk deed ‘d’n dokter’ dat zelf, voor ons was dat meneer natuurlijk, maar de freule noemde hem Kareltje, Charles of ook wel Sjarel, dat was afhankelijk van haar stemming. Het uitlaten was een verantwoordelijke taak, want het beestje mocht niet ziek worden. Daarom moest hij, als het erg koud was, een jasje aan. En als het gesneeuwd had moesten er eerst paadjes naar de bomen langs de oprijlaan sneeuwvrij worden gemaakt, zodat Floor niet door de sneeuw hoefde te lopen!

Toen we genoeg gespeeld hadden, fietsten we door datzelfde schuine paadje naar de Tilburgse weg, waar we linksaf in Tilburg naar school gingen. De Klokkenlaan rechtdoor was het vrijerslaantje, vooral bekend bij bezoekers van de dansavonden bij Willy Vermeulen; daar kon je paartjes tegenkomen die zich even hadden teruggetrokken. Zij konden zich er achter grote, dikke bomen verschuilen voor nieuwsgierige blikken. Maar laten we niet verder afdwalen.

Een eigen gezicht?

Wat voor ons ‘achter onder de bomen’ was, is sinds een paar jaar als historische buitenplaats Loon op Zand een rijksmonument. Het hele patroon van kasteeldomein met kasteel, kerk en straatdorp (tegenwoordig de Kerkstraat en de zuidrand van het Oranjeplein) is nog moeiteloos herkenbaar en ondanks veranderingen en verdichting van de bebouwing in zeshonderd jaar tijd feitelijk niet van karakter veranderd.
Aan de noordzijde langs dit domein liep de oude landroute tussen Breda en ’s-Hertogenbosch. Deze belangrijke doorgaande verbinding liep in de tijd van de diligence niet over Tilburg (dat toen nog lang geen stad was), maar door Loon op Zand. Er moet ‘vroeger’ heel wat over die oude ‘heerbaan’ voorbij zijn gekomen. Zoals het tweetal bestuurders uit ’s-Hertogenbosch, de hoofdstad van de Meierij, op 6 april 1589, het was oorlogstijd en ook het Loons kasteel lag in puin, langs onveilige wegen vol plunderende troepen, op weg naar een vergadering van de Staten van Brabant te Brussel. Zij reisden over Loon op Zand, Breda en Antwerpen en kregen een lijfwacht mee van niet minder dan vijftig man …. Maar dat is een ander verhaal.

Een dorp met geschiedenis dus. Dat de laatste halve eeuw zoveel verloren is gegaan door sloop en ondoordachte vernieuwing is reden voor bezorgdheid. Maar er is nog veel het behouden waard. Om niet te vervreemden van het eigen verleden verdient het aanbeveling om over te gaan tot wettelijke bescherming van het dorpsgezicht – Kerkstraat, Oranjeplein, Kasteellaan en Kasteelweide – iets waar ook de provincie voorstander van is. Het is goed om te bedenken dat monumentenzorg geen luxe is, maar een uiting van respect voor het verleden én voor het nageslacht. Niet alleen vanwege de cultuurhistorische waarde, maar ook om het behoud van een leefbaar en aantrekkelijk dorpshart. Zonder respect en bescherming van wat waardevol is komt er een dag dat Loon op Zand geen eigen gezicht meer heeft en in niets meer te onderscheiden is van elk willekeurig dorp en voor hetzelfde geld in, laten we zeggen, Tilburg zou kunnen liggen. Niets ten nadele van Tilburg, al was het maar omdat ze daar wél - al tientallen jaren - een monumentenbeleid hebben, maar toch, wie in Loon op Zand zou dat nou willen?

De oudste 7 van het gezin Van Iersel

Gepubliceerd in jaarboek Straet & Vaert 2005

Home