Apollinische ode door Simon Vestdijk

Apollinische ode

Droombeeld in uw donk’re nis
Met wat scheem’ring langs uw slapen,
Staat uw arm nog naar het wapen
Dat sinds lang verzonken is?
Blind uw oogen, koel uw borst.
Laat geen vrouw de tepels vreezen
Waar slechts winden aan genezen
Van hun wezenloozen dorst.
‘k Weet nog hoe ik mij vermat
Onder ’t voorhoofd u te troosten,
Angstig dat ook ’t vlammend oosten
In die blindheid was vervat;
Maar die mikken wil mag nooit
Mikpunt zijn, en blind of ziende
Is hij die ’t gezicht verdiende
Steeds met oogschalen getooid,
Ingekeerd en starensmoe,
Een’ge weldaad in den chaos,
Van Illyrië tot Paphos
Wend gij ’t oog naar binnen toe.
Blind dus toch? O ijdelheid…
Blind was ik van u geschrokken.
Maar gij hebt mij voorgetrokken:
Kind dat al zijn uren wijdt
Aan ’t besturen van zijn hand,
Aan den waanzin van uw rede,
Will’ge Amor, diep besneden,
En gewekt tot krijgstrawant.
‘k Zie mij hoe wij pril vereend
Samen naar het monster speuren
Achter vale modderdeuren
Waar de moeder zich toe leent.
Ik uw hand en gij mijn vuist!
En uw lach, gebroken zilver,
Nadat wij de laatste schilfer
Van haar schubben stukgegruisd,
Nadat gij mij hadt geleerd
Hoe nog de allerkleinste pijlen
‘t Hart vermogen te ontgeilen
Dat een kinderhart verteert,
‘t Hart dat helden in zich zuigt
Of ’t opnieuw hen wilde baren:
Menigeen wordt kind bij ’t paren,
Schoon zijn manbaarheid betuigt!
Goed dat ’k uw verachting vond
Branden voor die liev’lingszonen
En hun kronk’lend samenwonen,
Slanggelijk in vrouwenmond:
Tuchtloos hol, door u vernauwd
Tot een vaargeul voor ’t orakel,
Tandenrij getemd tot schakel
Tusschen slijk en zonnegoud,
Tuimelende blauwe tong,
Van voortijdsche lust aan ’t lallen, –
Ik Wist, er moest een zweepslag vallen
Die haar tot uw spreuken dwong!
’k Heb u, in uw blik gehuld, –
Ziend uw oogen! – vaak verloochend,
Driftig en onachtzaam pogend
In den glans van uw geduld.
Maar de driften mogen wild
Ingeschapen zijn op aarde,
Waar eens ’t zonnig oog op staarde
Is geen pijlworp aan verspild.
Ook voor mij, voor mij die pijl,
Staande in mijn borst aan ’t trillen;
En een vloed van kindergrillen
Druppelt langs mij onderwijl.
Tegenspoed is beste spoed.
Als vanouds weer met mij jagend,
Geen verloren jaar aanklagend,
Zult gij scheem’ren over ’t bloed.
Hoort, de schuwe nachtwind glijdt
Om te leeren ademhalen,
En de herfst is vele malen
In zijn vezels rondgeleid
Tot uw boog, o wondertaal;
Brons heeft in uw hand geblonken,
Klaar voor ’t rechtgeaarde ronken,
Preev’lend met zijn kil metaal,
Dat uit hoofde van den geest –
Lokkenpracht in ’t hoofd gewonden! –
Moord kan worden afgezonden
Die den moordenaar geneest! –
Ga, voltooi uw winterwerk, –
Blind uw oogen, ziend uw oogen, – Oogjes
In uw marmer ingezogen,
Door uw lichtkracht aangesterkt,
En breekt ook uw romp tot gruis,
’t Hart is ’t edelst zoo verbrijzeld,
Immer zult gij, streng beijzeld,
Mikken in het vaderhuis,
Ziend uw oogen – zoo mag ’t zijn.
Man van vreugden, mijn behoeder,
Ik Geef voor u de diepste moeder
Die mij grondeloos wil zijn.

Auteur: S. Vestdijk
Verzamelde gedichten I, blz. 359
Uit de bundel Klimmende legenden