In gesprek met Carla van Iersel
Het artikel is geschreven door Truus Rütter
"Soms denk ik", nu heb ik alles wel gehoord en gezien", zegt Carla van Iersel (44) "Maar altijd merk ik weer dat het nog erger kan." In haar werk in De Bocht in Goirle en bij het Bureau Vrouwenopvang in Rotterdam komt zij dagelijks vrouwen tegen die ernstig worden mishandeld, die ongewenst of /en te jong zwanger zijn, die zwaar getraumatiseerd zijn of die verstandelijk gehandicapt zijn en grote moeite hebben met de opvoeding van hun kinderen.
Carla van Iersel begon haar loopbaan als onderwijzeres in het zmlk-onderwijs, vervolgens werkte ze enkele jaren op de afdeling Taal en Communicatie van een grote instelling voor verstandelijk gehandicapten en tenslotte belandde ze, via het vrouwenwerk, in de begeleiding van zwangere meiden. Momenteel geeft ze o.a. training en vorming aan zwakbegaafde moeders.
Een aantal van hen komt ze ook weer tegen in het grote circuit van mishandelde vrouwen. "De problemen waar ze tegenaan lopen", zijn onbeschrijflijk", zegt ze. "Wanneer je de gevolgen van bepaalde stappen in je leven niet kunt overzien, en je niet houdt aan goede raad uit je omgeving, als je die al krijgt, dan kunnen de dingen geweldig uit de hand lopen. In ons huis in Goirle zie ik nu alweer de zwakbegaafde zwangere meiden wier moeders ik er zestien, zeventien jaar geleden ook al zag. Het is een vicieuze cirkel."
Enige tijd geleden ontmoette ik een vrouw die me vertelde dat ze een nieuwe vriend had en dat ze weer graag zwanger wilde worden. Haar vier kinderen zijn allemaal, na veel ellende, opgenomen in pleeggezinnen. Ik heb geprobeerd om haar het verdriet van de mislukking en het afstand moeten doen te besparen, maar inmiddels is ze zwanger en woont ze, alweer in de steek gelaten, ergens op een kamer."
Carla van Iersel realiseert zich terdege dat het niet gemakkelijk is om in het openbaar te stellen dat vrouwen met een verstandelijke beperking niet vanzelfsprekend kinderen moeten kunnen krijgen als zij dat wensen. "Enerzijds ben ik erg beschroomd om het hardop uit te spreken, anderzijds is het een gigantisch probleem waar ik dagelijks tegenaan loop en dat voor mensen zoveel verdriet en pijn met zich meebrengt. Het is een groot dilemma.
Uitspreken dat mensen met een verstandelijke handicap over het algemeen beter geen kinderen kunnen krijgen is een van de grootste taboes. Denk maar eens aan de affaire van enkele jaren geleden, toen bekend werd dat in enkele Scandinavische landen verstandelijk beperkte vrouwen onder dwang waren gesteriliseerd. Het wel of niet kinderen krijgen voor deze groep staat hier gewoon niet ter discussie en als er al eens over gesproken wordt, wordt het argument aangevoerd dat met een goede hulpverlening veel opgevangen kan worden. Alsof het mogelijk is om mensen een leven lang aan de hand te houden. Ik ken gezinnen waar vijf dagen per week volledig hulp gegeven wordt en waarbij ik mijn hart vasthoud bij al die uren, overdag en 's nachts, waarin er geen hulp is.
Ik weet maar al te goed dat een vrouw een heel oprechte kinderwens kan hebben. Zeker mensen met een verstandelijke handicap kunnen behoefte hebben aan iets van henzelf, iets dat hen liefde geeft, iets om voor te zorgen. Maar toch.
Soms zie je dat het redelijk goed gaat als een vrouw een zorgzaam en liefdevol netwerk heeft. Dan nemen ouders, broers of zussen een deel van de opvoeding en de begeleiding over. Soms gaat het goed zolang er één kind is. De problemen komen als het kind ouder wordt. Soms gaat ook dat redelijk maar dan komt er een tweede kind bij waardoor de balans volledig wordt verstoord en dan kun je zo'n gezin met alle goede wil van de wereld niet meer op de rails krijgen. Onlangs zei een moeder, die door haar man zwaar wordt mishandeld, tegen me: 'Het gaat wel goed. Ik heb heel veel steun van mijn dochters met wie ik alles bepraat.' Toen ik haar vroeg of ze de kinderen, die zeven en acht jaar oud zijn, daarmee niet belastte, merkte ik, dat ze daar helemaal niet bij stilstond en ook op dat moment de clou niet vatte.'"
Het opvoeden en verzorgen van kinderen en het bestieren van een huishouding vraagt ook veel. Je moet grenzen kunnen stellen, ingrijpen, corrigeren. Je moet gedrag kunnen interpreteren. Ik kom moeders tegen die er absoluut van overtuigd zijn dat hun baby of kleuter huilt om hun te pesten. Het is voor hen vrijwel onmogelijk om in te zien dat het zo niet werkt. Je moet patronen kunnen herkennen en je herinneren hoe het vroeger thuis ging. Wat je daar goed aan vond en wat niet en hoe je de verkeerde dingen kunt voorkomen.
'Ach', zeggen sommige vrouwen. 'Ze worden wel groot.' Inderdaad, denk ik dan. Maar ten koste van wat? Kinderen lopen beschadigingen op als ze onvoldoende gestuurd worden, als ze teveel worden begrensd of wanneer ze te weinig prikkels krijgen. Als je zelf minder mogelijkheden hebt is het verschrikkelijk moeilijk om je kinderen te bieden wat ze nodig hebben. Ik zou trouwens wel eens graag onderzocht willen hebben of er in deze gezinnen meer kinderen met ADHD voorkomen. Als dat zo is, is het interessant om te achterhalen hoe dat dan komt.
Veel vrouwen komen zelf uit een problematisch gezin. Er zijn cijfers waaruit blijkt dat negentig procent ooit met seksueel geweld is geconfronteerd. Als ze erover kunnen en willen praten proberen we hen in een lotgenotengroep bijeen te brengen. Daar kunnen ze zich ervan bewust worden of en hoe het een rol speelt in de opvoeding van hun kinderen. Ik kom gezinnen tegen waar het op het gebied van de seksualiteit grenzeloos is. Waar de kinderen overal bij zijn, waar in het gezelschap van de kinderen naar pornobanden wordt gekeken waar vanalles rondslingert waarmee je hen niet in contact moet brengen. Als je opgroeit in een gezin waar voortdurend grenzen overschreden worden, dan is het heel moeilijk om ze later aan te brengen. Maar ik zie ook dat bijvoorbeeld dochters als tegenreactie overbeschermd worden of dat de moeder de plasser van een zoon nooit goed wast omdat ze dat eng vindt."
Hoewel Carla van Iersel begrijpt dat het een taboe is om je af te vragen of zwakbegaafde ouders kinderen mogen krijgen, blijft ze met het gegeven moeite houden. "Niet in alle gevallen gaat het mis", zegt ze met nadruk, "maar in de praktijk van alledag kom ik er wel erg veel tegen waar je treurig van wordt. Ik vind, dat deze vrouwen er ondanks alle hulpverlening tamelijk alleen voor staan. En dan is er nog de groep die geen hulp wil accepteren. Daar ben je machteloos. De Raad voor de Kinderbescherming reageert nooit of zelden preventief. Ook de Raad kan bij een vrouw geen sterilisatie afdwingen wanneer er al vier of meer kinderen uit huis geplaatst zijn. SPD-en geven hulp waar dat wordt geaccepteerd maar de werkers in het veld weten dat het meestal een illusie is te denken dat daarmee alles goed komt. Het lijkt wel of niemand zich het lot van deze ouders en kinderen wezenlijk aantrekt."
Dit artikel verscheen eerder in Cupertino bulletin nummer 4, december 2000.